Onder elkaar

Je kunt je omdraaien, je kunt je handen tegen je oren drukken, je kunt de beller vervloeken, maar uiteindelijk neem je toch op.
‘Ja,’ zei Sibbe Kettens.
‘Ik moet je spreken,’ zei Orlof Estiarte.
‘Nu?’
‘Zou ik anders bellen om kwart over twee?’
Kettens keek opzij. Het was bijna twaalf minuten over half drie in de nacht. In de middag zou Estiarte twaalf over half drie hebben gezegd, misschien kwart voor. ‘Ik heb een probleempje.’
‘Als het naast je ligt en het is de verkeerde dan heb je vier minuten. Ik ben onderweg.’
Vier minuten, dacht Kettens, en dat is precies wat hij bedoelt, als het in zijn belang is, mist hij geen seconde.
Hij zag geen kans Esther Broch in vier minuten in de benen te krijgen, in de kleren en buiten de deur en bovendien verwachtte hij niet dat Estiarte overstuur zou zijn van haar aanwezigheid. Voor alle zekerheid zei hij: ‘Blijf in bed. Ik heb geen tijd om het uit te leggen, slaap alsjeblieft door.’
Ze mompelde iets en draaide zich op haar rug, ogen dicht, maar net te veel been onder het dekbed vandaan om te doen geloven dat ze sliep.
‘Ik meen het. Ga alsjeblieft niet naar beneden.’ Hij kende haar nog niet lang genoeg om te weten hoe ze in elkaar zat, maar hij vreesde het ergste. ‘Alsjeblieft.’
Ze keek hem na toen hij de slaapkamer uitliep. Hij is zenuwachtig, dacht ze, en een beetje bang. Dat heb je met nieuw bloed, het is onrustig.’ Ze glimlachte en rekte zich uit. Nieuw bloed kon haar niet onrustig genoeg zijn.

‘Estelle is dood,’ zei Estiarte.
De eerste zin die in Kettens opkwam, was niet de meest gelukkige. ‘Waar staat uw auto?’
Estiarte veegde de vraag weg. ‘Ze lag op de vloer. Iets met haar hoofd, want daar lag bloed. Dat verrekte jong kan me gezien hebben.’
Kettens rilde. Dit was een situatie waar tijdens zijn opleiding tot advocaat aandacht aan was besteed: wat doe je als een collega je hulp vraagt in een situatie waarin je liever geen hulp verleent. Hij negeerde wat hij had geleerd. Estiarte was zijn mentor, de deken van het arrondissement, de man tegen wie hij nooit je en jij had durven zeggen. Estelle was, nou ja, Estelle. De ex van collega Max Steenbakker, de moeder van Isidoor, de enige vrouwelijke kinderrechter in het arrondissement en verzamelaarster van ‘mannen met een geheimhoudingsplicht’. Aan het begin van de eerste nacht, de wijn was net ingeschonken, had ze Kettens 50 euro betaald om haar belangen te behartigen. Haar eerste belang was 200 euro voor de taxi terug naar huis.
‘Wat wilt u dat ik doe?’
‘Naar deze foto kijken,’ zei Estiarte. ‘Ik zag ’m toen ik naast haar knielde om te zien om, nou ja, bloed zegt niet alles, misschien leefde ze nog.’
Kettens knikte en concentreerde zich op de foto.
‘Ze ziet er goed uit voor een 55-tiger,’ zei Estiarte. ‘Als je snel kijkt, denk je dat ze begin veertig is. Jij mag ook niet mopperen over wat je hebt. En zo fier.’
‘Wie heeft die ...’
‘Ik zou het verdomd niet weten, kerel, misschien dat rotjong, hij is er oud genoeg voor. Wat is hij, vijftien, zestien? Dankzij internet weten ze alles vanaf dat ze elf zijn.’
‘Onder haar lichaam?’ Kettens kon het niet geloven.
‘Onder een arm. Je denkt toch niet dat ik haar heb omgedraaid? Twee vingers tegen haar keel en wegwezen. Hoe groot is de kans dat Estelle deze foto op de vloer van haar badkamer heeft gelegd en er daarna dood op is neergevallen?’
‘Wil iemand mij ...’
‘En mij.’ Estiarte had aan halve zinnen genoeg en analytisch was hij altijd geweest. ‘Wat denk je ervan om elkaar een handje te helpen? Ik dacht: ik begin door de foto mee te nemen. Ben ik mee in overtreding.’
‘Ik heb een alibi.’
Estiarte knikte. ‘Ik hoor het stommelen. Vier minuten is niet veel en soms willen ze maar niet opschieten. Of is je ex thuis?’
Jasmina was twee jaar weg, maar kwam logeren als het mis was met haar vriend.
‘Niet Jasmina. Ik weet niet of ...’
‘Ik ook niet. Midden in de nacht en dan veel weten. Ik improviseer maar wat en ik combineer. Mijn auto staat naast een rode Alpha Romeo. Heeft Esther Broch niet een rode Romeo van Willem gekregen voor haar verjaardag? Ik sprak Willem vanmiddag in de rechtbank. Hij was erg trots op zijn afspraak met die nieuwe van Jongeneel. Hoe heet ze. Ik kan je alles vertellen over haar kont en dat ze het niet redt met een beha cup c, maar haar naam ...’
‘Isabelle.’
‘... wil me nooit te binnen schieten.’ Altijd je zin afmaken, was een van de lessen van Estiarte, doe het in het dagelijks leven dan wordt het een gewoonte en vergeet je het niet als je aan het werk bent. ‘Isabelle. Je weet dat ze zo heet omdat ze zo wil heten?’
‘Zus is geen naam waar je ver mee komt.’ Kettens wees met een vinger naar boven. ‘Als ik niet waarschuw, komt ze beneden, wilt u dat?’
‘Ze is jouw alibi. Als ze ook het mijne wil zijn, roep je maar. Als jullie het er over eens zijn dat ik je belde en vertelde dat het kwart over twee was en dat ik nog vier minuten nodig had dan kunnen we aan de wijn. Of de whisky. Of onder de douche. Esther en ik hebben al een hele tijd niet meer ...’
Gedronken, gegeten, gelachen, gedoucht; op een woord dat je niet uitsprak, kon je niet worden afgerekend. Waarschijnlijk was het: gevreeën.
‘Ze gaat straks vragen wie ik op bezoek heb.’
‘Als we met ons drieën zijn, heb ik toch liever dat je jij zegt, kerel. Denk je er, terwijl je naar boven loopt, aan dat er in het huis van Estelle misschien meer foto’s zijn en dat overal vingerafdrukken zitten? Van mij, van jou, van Guus van Olphen. Weet je dat Ferdi Krings bij haar komt? Hij doet niet aan huisbezoeken, maar in haar huis doktert hij wat af. Praat jij met Esther, dan neem ik een slokje. Ik kan altijd zeggen dat ik in paniek het huis ben uitgerend, maar ze gaan vragen hoe lang de paniek duurde en dan moet ik ... Heb je niet voor niets verdomd goede whisky in huis.’

De ogen van Esther fonkelden. ‘Dood? Met bloed en zo? Is ze ...’
‘Ik weet niet hoe, maar ik heb iemand beneden die haar heeft gezien.’
‘Och got, komt Orlof hulp vragen? Heeft hij soms ...’ Ze sprak ook al in halve zinnen, misschien hoorde het bij het vak.
‘Kijk niet zo. Dacht je dat ik zijn stem niet had herkend. Hallo, we komen al jaren ...’
Kettens knikte. ‘Over de vloer,’ bedoelde ze. Esther kwam bij Orlof, die bij Estelle kwam, die Sibbe ontving of naar Frederik ging omdat Hermione ... Iedereen wist van iedereen en dat had iets geruststellends. Je mocht je verspreken als je te veel gedronken had, je mocht vette knipogen geven, je mocht ruilen.
‘Juristen onder elkaar,’ had Esther gezegd tijdens het maandelijkse etentje met Isabelle, Hermione en Estelle. ‘Zoiets als wij hier, meisjes onder elkaar, maar dan, hoe zal ik het zeggen, met meer zweet.’ Waarop Hermione had aangevuld: ‘Dat is het mooie van een provinciestad. We kennen elkaar van hier, maar we werken elders.’

Esther maakte haar entree en Estiarte zag meteen dat onder het jasje een negligé zat en onder het negligé bijzonder weinig. Hij omhelsde Esther lang genoeg om te weten hoe weinig en hij bewoog pas toen hij haar hand niet langer in zijn broekzak voelde. Hij deed een stap achteruit na een tikje tegen zijn rug. ‘Wat was dat?’
‘Dat was de telefoon van Sibbe. Die lag nog naast het bed.’ Ze reikte Kettens de iPhone aan, terwijl ze zei: ‘Ik heb ’m uitgezet. Hou dat zo, vanaf nu moeten we niet bellen of gebeld worden.’ Ze gaf Estiarte een knipoog, nam een slokje uit diens glas en zei: ‘Dat geldt ook voor jou, Orlof, afblijven van dat ding.’ Ze wachtte op het knikje. ‘Goed, schat, zeg dan nu maar dat je het niet hebt gedaan.’
‘Ik heb het niet gedaan, Esther, want ik ben daar niet geweest.’ Estiarte pauzeerde een seconde, die door de manier waarop hij keek langer leek. ‘Ik was hier om goed twee uur, hoe vind je dat?’
‘Kwamen we samen of was ik er al?’
‘Estiarte denkt dat de jongen thuis was,’ zei Kettens snel.
Esther stond roerloos. ‘Die is op vrijdag bij Max. Altijd. Dat weten jullie toch? Dat weet iedereen. Vrijdag is Estelles vrij dag. Net als zaterdag en zondag en meestal woensdag. Omdat ze ruimte nodig heeft.’ Ze pakte het glas uit de hand van Estiarte en dronk het leeg. ‘Vertel wat je weet, Orlof. Alles.’
Estiarte vertelde en Esther zei: ‘Voor alle zekerheid: jij hebt het niet gedaan?’
‘Zie je me daar voor aan?’
‘Ik weet met wie je omgaat voor je werk en wat dat tuig heeft gedaan. Misschien ben je gaan denken dat je het ook kunt.’ Ze keek van Estiarte naar Kettens en tuitte haar lippen. ‘Geheimhoudingsplicht, me dinges. Ik weet waar jullie jongens onderling over opscheppen. Als ik vertel wat ik over jullie heb gehoord dan zouden jullie allebei ...’ Ze mikte een kus naar Estiarte. ‘De deken is degene die advocaten een waarschuwing geeft, toch? Jij zou een dag kwijt zijn als je jezelf moest waarschuwen, Orlof.’ Op dezelfde toon en zonder pauze: ‘Ik verstrek geen alibi als dat rotjong thuis was. Misschien heeft-ie je gezien en vertel nou eens eerlijk: wat weten jullie van Estelles foto’s?’
‘Niks,’ zei Kettens.
‘Ik heb die met Sibbe meegenomen,’ zei Estiarte, ‘maar ik heb gehoord dat er meer zijn.’
‘Tientallen. Estelle vertelde graag wat ze in haar bed deed.’ Esther trok een gezicht. ‘Wat jullie deden als ze aandrong.’
‘Ze zei dat ze wel eens wat anders wilde,’ zei Kettens stijf. ‘Zo zei ze het: wel eens wat anders.’
‘Jij bent dertig jaar jonger. Estelle is oud genoeg om trots te zijn op wat ze kan. Ze zat te glunderen toen ze foto’s liet zien.’
‘Aan jou?’
‘Aan de meisjes. Omdat ze wist dat Hermione ook wel zoiets wilde. Met Frederik desnoods, maar liever met een ander. Isabelle deed of ze het niks vond, maar ik hoorde haar hijgen.’
‘En jij?’
Die vraag negeerde ze. ‘Isabelle is een keer met iemand in de kamer van Estelle geweest. Met iemand van wie ze de naam niet wilde noemen, omdat we niet alles hoefden te weten.’ Ze keek naar Kettens. ‘Was jij het?’ Naar Estiarte. ‘Jij niet, jij bent niet lenig genoeg meer.’ Ze grinnikte toen ze geen antwoord kreeg. ‘Als we met ons drieën naar Estelle gaan, kunnen we later altijd zeggen dat we een feestje wilden. Het zal de eerste keer niet zijn. Als dat rotjong er is, dan pakken we hem aan.’
‘Hoe?’ vroeg Kettens.
‘Boos kijken.’ Nu lachte Esther. ‘Heel boos kijken en vragen of hij weet waar zijn moeder is. Als er geen politieauto voor de deur staat en Isidoor is thuis, dan heeft hij niemand gewaarschuwd en waarom zou dat zijn?’ Ze gaf Estiarte een duwtje. ‘We gaan met jouw Audi, Orlof, dan hebben we de ruimte. Bovendien hebben Sibbe en ik meer gedronken dan jij en Sibbe kan slecht tegen drank.’ Ze legde een vinger tegen de lippen van Kettens. ‘Zeg maar niks, schat. Jouw Audi is even groot en even mooi, maar het ging een beetje snel met de drank vanavond. Orlof rijdt.’

Voor het huis van Estelle stond geen politie. In het huis brandde licht, maar niemand deed open.
‘Wat nu?’ vroeg Kettens.
‘Sleutel,’ zei Esther. ‘Kom op, jongens, niet lang geleden heette ons groepje sleutelclub en dat zeggen ze op school nog steeds als ze aan het fantaseren zijn. Pak je sleutel en doe de deur open, ik krijg het koud.’ Ze had in de auto een spijkerbroek aangetrokken en haar negligé verwisseld voor een shirt. Estiarte had het bekeken via het spiegeltje, Kettens gedraaid op de voorbank met een gezicht of hij haar voor het eerst zag.
‘Sorry,’ zei Kettens. ‘Heb ik niet, sorry.’ Hij telde nog niet voor honderd procent mee en hij wist het.
‘Orlof,’ zei Esther. Het klonk als een bevel en Kettens hield zijn adem in. Dit was niet de toon waarop iemand Estiarte aansprak. Dacht hij.
‘Jaja,’ zei Estiarte. Hij opende de deur, ging voor en liep rechtstreeks naar boven terwijl hij ‘Estelle’ riep, omdat je maar nooit wist of dat rotjong er niet toch was.
‘Daar,’ fluisterde hij voor de deur van de slaapkamer. ‘Ze ligt in de badkamer, maar de tussendeur ...’
Esther duwde hem opzij. ‘Jullie zoeken naar dat jong, ik kijk even.’
Kettens zag dat ze blosjes had en haar ogen deden iets wat hij niet eerder had gezien.
‘Liever dan ik,’ zei hij en hij meende het.

Bloed, had Orlof gezegd, maar Esther vond het niet de moeite. Het stonk wel. De huid van Estelle was koud en het oog dat zichtbaar was, zag er leeg uit. Ze keek nog een keer, luisterde enkele seconden naar de geluiden van Orlof en Sibbe en ging op zoek naar foto’s.
Ze vond het kluisje in de inloopkast achter de avondjurken en ze vond de code in Estelles agenda, achterin waar ook de codes van haar pinpas en creditcard stonden. Haar vingers trilden pas toen het deurtje van de kluis openging met een geluid dat buiten de kast te horen moest zijn.
Iedereen maakt een keer een fout, dacht ze, toen ze de stapel foto’s beethad en zich afvroeg waarom ze geen broek had gekozen met grote zakken, waarom ze geen tasje bij zich had, groot genoeg voor, hoeveel zouden het er zijn, minstens honderd. Toen ze hoorde roepen, legde ze de foto’s onder het matras en ging ze op het bed zitten.

‘Niemand,’ zei Sibbe. ‘Geen teken van leven.’
‘Er was wel iemand,’ zei Estiarte. ‘Ik heb het gehoord.’
‘Was je niet te veel geschrokken, schat? Een beetje? Erover praten is eenvoudiger dan het meemaken, zeggen ze.’ Esther keek naar Kettens: ‘Hallo, leef je nog?’
Kettens reageerde pas toen hij was uitgestaard op een foto op de rand voor de grote spiegel. ‘Dat is toch Isidoor? Waarom noemt iedereen hem rotjong of hij net twaalf is? Hoe komt die foto daar?’
‘Heb ik neergelegd,’ zei Esther. ‘Lag in het nachtkastje. Hij blijft een rotjong tot hij is uitgepuberd, zei Estelle een keer. Hij is zestien of zo, maar hij zit er nog middenin. En elke week naar zijn moeder, Estelle is het goed zat.’ Ze drukte een hand tegen haar mond. ‘Hoor mij nou. Zegt ze? Zei ze, zal ik bedoelen.’ Ze keek naar Estiarte en Kettens. ‘Moet je ons nou zien, staan we twee meter van een dode ...,’ ze aarzelde, ‘vriendin? Hoe zullen we het noemen? Minnares? Bedriegster?’
‘We moeten de politie bellen,’ zei Kettens. ‘We zijn naar binnen gegaan omdat we een sleutel hadden, we hebben het huis doorzocht, we hebben haar gevonden, wij zijn doodsbang, oké?’
‘Foto’s,’ zei Esther. ‘Ik wil de foto’s. Eerst zoeken. Ik doe de inloopkast nog een keer, jullie gaan naar de logeerkamer en naar de slaapkamer van het rotjong, misschien heeft hij ze verstopt, kijk onder het matras.’
Ze wachtte tot ze de kamer uit waren en pakte de foto’s. Estelle met Orlof, met Max, met Sibbe, met haar godverdomme, Estelle had nog zo beloofd dat ze geen foto’s zou maken, met Hermione en wie stond daar in de hoek, Isidoor, jezusmariakristus, van Jasmina met Frederik Malestien, nooit geweten dat die hier ook kwam, dit plaatje moest ze goed bewaren. Ze bekeek ze snel, haalde een plastic zakje uit haar broekzak en stopte de foto’s er in. Twee hield ze apart en toen ze er zeker van was dat Orlof en Sibbe haar niet konden horen, schoof ze ze onder het lichaam van Estelle, terwijl ze dacht: goed dat je dood bent, kelerewijf, ik had niet verwacht dat je me zo zou belazeren.
Ze liep op haar tenen de trap af, legde het zakje voor de achterbank van Orlofs auto en ging terug om het kluisje schoon te vegen.

‘Niks,’ zei ze tegen Sibbe. ‘Ik denk niet dat we veel langer kunnen wachten.’
‘Nee,’ zei Kettens. Hij keek benauwd.
‘Doen de foto’s er eigenlijk toe?’ vroeg Estiarte.
‘De foto van Sibbe die je onder Estelle vond wel,’ zei Esther. ‘Ik vind het geen prettig idee dat er meer zijn.’
Estiarte keek op zijn horloge. ‘Moeten we haar niet optillen om te kijken of er meer liggen? Hoe lang zijn we hier al?’
‘Te lang,’ zei Kettens. Hij deed een stap in de richting van de badkamer en bleef staan. ‘Eén foto?’
‘Ik heb er niet meer gezien,’ zei Estiarte, ‘maar als je wilt kijken, ga je gang.’
Kettens verroerde zich niet.
‘Het gaat op deze manier lang duren, schatten van me,’ zei Esther. ‘Hoe langer we wachten hoe meer we hebben uit te leggen.’ Ze pakte haar telefoon.

‘Ik voel me misselijk,’ zei Esther. ‘Ik wil naar huis. Arme Estelle. Dood.’ Ze drukte een onderarm tegen haar buik terwijl ze vooroverboog. ‘Ik ben ziek.’
Inspecteur Gustaaf Verhulst probeerde medeleven uit te stralen. ‘Ik begrijp het, mevrouw Broch, maar er is een dode. Misschien is ze gevallen, misschien is ze geduwd of geslagen, onderzoek moet het uitwijzen, maar hoe meer ik weet ... Dus u kwam samen met meneer Estiarte en meneer Kettens. Midden in de nacht. Waarom was dat ook weer?’
‘Omdat we dat hadden afgesproken. Ik had afgesproken. Met Estelle.’ Ze keek zo beschaamd als ze kon opbrengen. ‘Soms doen we dat. Bij elkaar op bezoek.’
‘Midden in de nacht?’
‘Inderdaad.’ Rechtop nu, rug strak, ogen fel. ‘Is er een avondklok waar ik niets van weet?’
‘Nee, mevrouw Broch. Was u de hele nacht met de heren Estiarte en Kettens? Voor u naar dit adres ging, bedoel ik?’
Esther aarzelde. ‘Kan ik niet met zekerheid zeggen. Ik heb ook geslapen, ik bedoel, we begonnen nogal vroeg.’ Timide nu, verlegen blik, ze had erop geoefend, maar ze had het gevoel dat de overtuiging ontbrak. ‘Praten, drank ...’ Het handgebaar dat volgde, zei meer dan woorden en ze zag dat Verhulst haar begreep.
Hij schraapte zijn keel en zijn stem klonk een beetje schor toen hij zei: ‘Meneer Kettens kan enige tijd zijn weggeweest? Of meneer Estiarte?’
‘Orlof? Weg? Als die eenmaal ligt.’ Ze keek of ze te ver was gegaan. ‘Sorry. Het kan, van Orlof, maar ik geloof er niets van.’
‘Hoe laat kwam u bij meneer Kettens?’
‘Doet dat er iets toe?’
Inspecteur Verhulst wikte zijn woorden. ‘Ik probeer een beeld te krijgen, mevrouw Broch.’
Ze knikte. ‘In de avond. Voor elf uur, geloof ik. Iets na tienen.’
‘En meneer Estiarte?’
‘Ik heb er niet op gelet, Sibbe en ik ... we hadden het druk, zal ik maar zeggen. Orlof had een sleutel voor het geval hij laat zou zijn en hij is altijd laat.’
‘U hebt niemand na een uur of één het huis uit horen gaan of binnen horen komen?’
Ze drukte haar vingertoppen tegen haar slapen. ‘Ik geloof dat ik iets heb gehoord. Rond half drie. Vlak erna kwamen de jongens met een voorstel.’
‘Naar mevrouw Steenbakker gaan?’
‘Ik was in mijn eentje tegenover twee mannen en ze hadden nog energie. Ik had niet veel puf meer en Estelle, nou ja, Estelle op vrijdag ...’
Ze maakte een beweging en Verhulst deed haar onbewust na. Hij was een man van de wereld, hij begreep hoe het zat met Estelle op vrijdag.
‘U had gedronken?’
‘Meer dan Orlof en ook meer dan Sibbe, maar die kan niet goed tegen drank en daarom gingen we met de auto van Orlof. Estelle deed niet open, maar ...’
‘U had een sleutel?’
‘Sibbe. Of misschien Orlof. Ik weet het niet precies. Ik had het koud.’ Ze wees naar zichzelf en zag kans te blozen. ‘Dit is geen shirt voor buiten staan, dat hebt u allang gezien. En nu wil ik naar huis.’
‘We zullen u zo brengen, mevrouw Broch. Wat weet u van foto’s?’
Grote ogen. ‘Wat voor foto’s?’
‘We vonden iets onder het lichaam van mevrouw Steenbakker.’
Grotere ogen. ‘Een foto?’
‘Van mevrouw Steenbakker en iemand die u kent.’
‘Wie?’
‘Dat hoort u te zijner tijd, mevrouw Broch.’
‘Dat zal wel, ja.’ Fel nu. ‘Dan houdt u tot die tijd maar op met in mijn shirt kijken. Ik wil naar mijn bed.’
Toen ze naar buiten werd geleid zag ze dat Orlof op haar had gewacht.
‘Ik breng mevrouw Broch naar huis,’ zei Estiarte en zijn stem liet geen ruimte voor discussie. ‘Wanneer komt meneer Kettens?’
‘Die houden we nog even vast voor een gesprek,’ zei inspecteur Verhulst en zijn stem was geen streep minder strak. ‘Als u afspraken buiten de gemeente heeft, wilt u die dan afzeggen?’
 
‘Waarom laat je Verhulst bij je thuis komen, Orlof,’ vroeg Esther. ‘Denk je dat ze op kantoor niet weten wat er is gebeurd?’
‘Iedereen weet alles, maar ik wil niemand spreken. Als ik daar ben, komen ze zeuren over telefoontjes, over afspraken en over hoe erg het allemaal is.’ Hij wees naar een stoel. ‘De telefoon van Sibbe zit nog in mijn broekzak. Waarom deed je er zo lang over?’
‘Vond je het niet fijn, schat van me? Maar om eerlijk te zijn stond ik mijn vingerafdrukken weg te vegen. Blijf er nou af, die inspecteur vraagt er vanzelf wel een keer naar.’
Estiarte gaapte en keek naar twee waaiers afbeeldingen op de salontafel. ‘Drie uur geslapen, hooguit vier. Als Estelle geen foto’s aan jullie had laten zien ...’
‘Als ik er niet een achterover had gedrukt had je me niet eens geloofd.’
‘Omdat het niets voor haar was. Voor haar leek.’
‘Vriendelijke Estelle,’ zei Esther met veel sarcasme. ‘Lieve Estelle. Zo leuk met mannen, zo charmant als de meisjes bij elkaar waren. Ze had beloofd dat ze die daar beslist niet zou maken.’ Ze wees naar een foto van haar met Estelle. ‘Kijk maar, het kan nou nog. Ik wist waar de camera stond, maar ze verzekerde me dat die was uitgeschakeld en je weet hoe overtuigend ze kon zijn. Je ziet waarom dit niet langer kon doorgaan.’
‘Was het toeval dat je een foto meenam waar Sibbe opstond? Ik vraag me af ...’
‘Doe maar niet, schat. Ik heb het me zelf ook afgevraagd en ik weet het niet. Het kwam goed uit, Sibbe was de jongste van de club. De nieuwste en onze grote aanwinst. Jammer dat hij zoveel kletst. Opscheppen. Dat zei je toch, opscheppen?’
‘Waar ik verdomme bij stond. Drinken en vertellen wat hij klaarspeelde en met wie. Estelle was gevaarlijk door haar foto’s, Sibbe door zijn gesnoef. Een lesje kan voor hem geen kwaad.’
‘Win win?’
Estiarte knikte en pakte een foto. ‘Dat rotjong staat erop, denk je dat hij alleen maar ...’
‘Toekeek? Geen idee. Ik heb foto’s van mij met Max. Van toen we getrouwd waren en dan maakt het niet uit, maar Estelle deed maar wat. Niets was te gek. Moet je zien hoe Frederik er uitziet.’
‘En wat Sibbe hier doet.’
Esther keek beschaamd, een beetje. ‘De arme jongen. Zo talentvol, zo gretig, zo in de problemen. Ik hoop dat de politie denkt dat Estelle is uitgegleden.’
‘Is ze ook,’ zei Estiarte. ‘Eén duwtje en ze gleed. De vloer was nat.’
‘Ja hoor, schat van me, ze gleed. Waarom niet. Natuurlijk kreeg je niet een van je woedeaanvallen nadat ze je had uitgelachen toen je niet meer kon en in badkamers glij je nu eenmaal makkelijk. Je blijft mijn held. Je zou het regelen en je hebt het geregeld. Ik hoop dat de inspecteur ook denkt dat ze uitgleed.’
‘Hoe verklaart Sibbe de foto die jij onder Estelle hebt gelegd?’
‘Foto’s, schat, meervoud, dat heb ik toch verteld? Er was geen reden om krenterig te doen. Gun de inspecteur ook wat. Jasmina stond er ook op. Sibbe is met haar getrouwd geweest en wie legt nou een foto van zichzelf en zijn ex onder iemand die hij net heeft vermoord? De foto pleit hem eerder vrij dan dat-ie belastend werkt. Als ik zijn advocaat was, wist ik wel hoe ik het moest aanpakken en jij ook. Sibbe was de enige die in aanmerking kwam. Hij verdiende een lesje, hij stond op de foto die we hadden en hij had dezelfde telefoon als jij.’
Esther schoot in de lach. ‘Weet je dat ik vanmorgen Max sprak? Hij is in de rouw, maar niet erg. Je moest eens weten wat hij aan alimentatie betaalde.’ Ze wachtte een seconde voor het effect. ‘Sorry, je weet het. Jij was zijn adviseur.’
‘We moeten de foto’s vernietigen. Verhulst komt over een paar minuten.’
Esther pakte ze en schudde ze of het kaarten waren. ‘Bezwaart het je niet?’ vroeg ze plotseling. ‘Van Estelle?’
‘Ja,’ zei Estiarte, ‘maar minder dan wanneer ze foto’s met mij erop naar de krant had gestuurd en daar dreigde ze mee. Max betaalde niet genoeg en dat was mijn schuld.’
‘Advocaten hebben het altijd gedaan,’ zei Esther. ‘Ik snap niet dat ze het vroeger in boeken over de butler hadden. Pak de advocaat en je zit goed. Ik hoop dat Estelle echt alle bestanden heeft gewist en dat ze niet nog ergens wat plaatjes had. Berg deze nou op, dan loop ik naar de deur. Het zal Verhulst zijn.’

Je kunt je wegkijken, je kunt je handen tegen je oren drukken, je kunt de boodschapper vervloeken, maar uiteindelijk weet je dat je er bent geweest.
Dat dacht Orlof Estiarte toen hij naar de foto keek die Verhulst op de salontafel had gelegd. ‘Deze vonden we onder het lichaam van mevrouw Steenbakker, meneer Estiarte. Is dat niet de zoon van mevrouw Steenbakker, daar links? Hij is bijna zestien, u weet wat dat betekent?’
Estiarte keek naar Esther die haar ogen had neergeslagen.
‘De andere foto was van meneer Kettens, samen met zijn ex-vrouw en mevrouw Broch. Geen plaat die je afgedrukt wilt zien, maar in de kringen waarin meneer Kettens verkeert ...’ Verhulst maakte een wegwerpgebaar. ‘Mag ik uw iPhone zien?’
Estiarte keek of hij de vraag niet kon plaatsen. ‘iPhone?’
‘Uw telefoon. Ik zou ’m graag even zien.’
‘Boven,’ zei Estiarte. ‘Nee, hier. Over de stoel. Hij staat uit. Ik wilde niet worden gebeld.’
‘Dat idee had ik al. We hebben het meerdere malen geprobeerd. Ik zou ’m graag bekijken.’
Estiarte keek naar Esther terwijl hij langzaam opstond en naar de stoel liep waar hij zijn broek over had gehangen. ‘Ik weet niet,’ zei hij aarzelend terwijl hij de telefoon aan Verhulst gaf. ‘Ik weet niet of ...’
‘Het de uwe wel is? Ik weet vrijwel zeker van wel. Meneer Kettens hield op het bureau vol dat u hem had gebeld om twaalf minuten over half drie. Dat wist hij op de minuut. U had gezegd: kwart over twee en u bent iemand die zich niet vergist, zegt hij. We hebben het gecontroleerd en hij sprak de waarheid. Hij is vannacht gebeld.’ Verhulst hield de iPhone omhoog. ‘Door u, zegt hij. Met deze telefoon als deze iPhone van u is, maar dat weten we snel genoeg.’
Estiarte keek naar Esther en ze zag de waarheid inzinken. Ze zag ook dat hij haar eindelijk op waarde schatte. Geen verwisseling van telefoons in een broekzak, maar een valstrik waarvan hij de omvang niet direct zag.
Hij vraagt zich af of Sibbe met me samenwerkte, dacht ze, maar hij weet het antwoord. Als hij verstandig is, wacht hij met protesteren toen hij zijn toekomst van alle kanten heeft bekeken.
Ze liet langzaam haar adem ontsnappen toen Estiarte een vraag stelde: ‘Word ik oud, Esther?’
Esther dwong zich te antwoorden. ‘Je bent niet meer wat je was, Orlof. Je controleert niet meer, zoals vroeger. Je staat op de foto met een joch van vijftien.’ Ze stond op en keek naar Verhulst. ‘U vroeg een paar uur geleden of iemand misschien vannacht het huis van meneer Kettens had verlaten.’
Verhulst knikte. ‘Hebt u reden iets aan uw verklaring te wijzigen?’
Esther stond op en liep naar de deur. ‘Sibbe werd rond half drie gebeld. Ik werd er wakker van, half wakker. Even later stapte Sibbe uit bed en ging hij naar beneden omdat er bezoek was.’
‘Meneer Estiarte?’
Esther knikte en keek naar Orlof. ‘Advocaten onder elkaar, schat. Daar had het bij moeten blijven. Vijftien jaar is te jong. Voor mij. Voor ons. Zoals ik al zei: de advocaat heeft het altijd gedaan en vanaf het moment dat het bekend wordt, is hij helemaal alleen.’ (juni ’16)

 

Bij de voordeur

Het was niet de man die me dwarszat, het waren de twee vrouwen aan de overkant. Ze leken op elkaar. Moeder en dochter in toeristenkleding: makkelijke schoenen, korte broek, shirt dat strak genoeg zat om zweetplekken onder de oksels te vermoeden, haar met een elastiekje om de nek droog te houden, zonnebril boven het voorhoofd. Ze keken naar alles behalve naar mij en naar de man tegenover me die oogde of hij nooit had getranspireerd. 32 Graden in New Orleans en dan fris zijn als een hoen in een pak, een dichtgeknoopt overhemd, een das met een Windsorknoop. Zwarte schoenen natuurlijk en zwarte of donkerblauwe sokken, reken maar.
‘Verstond je me niet?’ vroeg hij. ‘Is het omdat ik klein ben of omdat je niet tegen pistolen kunt?’
‘Omdat je niet zweet,’ zei ik, ‘en omdat je vrouw en dochter doen of ze er niet zijn.’
Hij keek niet achterom. ‘Geen familie. Ik vroeg of je Aabelson heet.’
De vrouwen liepen een stukje door, stonden stil, de oudste keek de straat af, de jongste over moeders schouder naar mij. Toen we oogcontact kregen, maakte ze een schrikbeweging.
‘Nee,’ zei ik. ‘Zo heet ik niet.’
‘Volgens mijn informatie wel.’
‘Informatie van wie?’
Hij maakte een beweging met een hand. ‘Dit is een Vektor CP1. Gewicht driekwart kilo en ik hou ’m al een poosje zo. Dan begint-ie te wegen.’
De vrouwen liepen door tot de hoek, bleven staan, keken links en rechts en draaiden zich om toen ze duidelijk hadden gemaakt dat in de zijstraat niets te beleven was.
‘Informatie van wie.’
‘Van een meneer. Ze heten altijd meneer. Meneer Johnson, meneer Smith, als ze fantasie hebben meneer Auberginois of meneer Maakjenietdrukomeennaam.’
‘Weet je wel hoe je zelf heet?’
‘Ja,’ zei hij. Geen ongeduld in zijn stem, geen haast, geen irritatie. ‘Dat weet ik, maar je zou het niet geloven.’
‘Johnson of Smith?’
‘Schmidt, met ch en dt. Jij bent dus niet Aabelson?’
De vrouwen stonden op vrijwel dezelfde plek als toen de man aanbelde. Het verschil was de zonnebril. Die zat nu voor de ogen waardoor ze me aan durfden te kijken.    
‘Zou je het pistool gebruiken als ik Aabelson was?’
Als hij recht vooruit keek, zag hij de opdruk van mijn T-shirt: Coors. Om mijn gezicht te zien moest zijn hoofd achterover. Boven de Windsorknoop verscheen een adamsappel die bewoog toen hij slikte.
‘De opdracht is Meeks,’ zei hij. ‘Aabelson is een goed begin.’ Zijn stem bleef ontspannen, maar ik zag zijn ogen van kleur veranderen. Donkerder blauw nu. De lijnen rond zijn mond werden dieper. Halfweg vijftig, gokte ik. Ik laat me binnen nu en dertig seconden neerschieten door een man van halfweg vijftig die dertig centimeter kleiner is en vijftig pond lichter.
Ik had opengedaan omdat ik Little Levy verwachtte. Hij kwam elke werkdag om deze tijd, twelvepack in een hand, omdat er tegen vijf uur voldoende schaduw voor mijn huis was om uit de zon op de veranda te kunnen zitten en te kijken naar al de mensen die door de straat gingen, gemiddeld drie per uur, dat was vier of vijf per twelvepack.
‘Je staat op de foto,’ zei ik. Minstens twee foto’s. De vrouwen waren bezig met selfies, maar hielden hun iPhone net te hoog of te veel opzij. ‘Ik denk vier foto’s, of zes. Je zult weg moeten lopen zonder je om te draaien.’
Hij vond het niet leuk, maar dat zag ik alleen aan zijn ogen.
‘Het kan binnen. Als ik merk dat je wat aanlult dan schiet ik waar het pijn doet, mij maakt het niet uit.’
De vrouwen waren sneller. Ze liepen op ons af, iPhones in de hand.
‘Bent u …,’ vroeg de jongste.
‘We zagen u in de krant,’ zei de oudste. ‘Over dat u lijfwacht was en werd neergeschoten en …’ Ze kreeg gebrek aan adem, ruime shirts zijn beter als je in New Orleans bent, net als een beha waar niet te veel uitpuilt. ‘Er was een foto bij en Mary-Lee zei dat u het was.’
‘Je dochter?’
De jongste trok een zuur gezicht. ‘Dat denken ze altijd, omdat ik een nakomertje ben. Zuster. Anne-Lee is de oudste.’
‘Allebei Lee’s?’
Ze keek een ogenblik verward. ‘Van mijn vader. Hij wilde jongens en kreeg zes meiden, Anne-Lee, Joanne-Lee, Sybil-…’
Ik hoorde Schmidt grommen en kreeg een visioen van drie lichamen op warm asfalt.
‘Sorry.’ Ik wees achter me. ‘Kom maar binnen, daar is het koeler.’
Schmidt ontblootte zijn tanden. Allemaal in het huis, of hij het zelf had bedacht. Voor hij een stap kon zetten werd hij opzij geduwd door Mary-Lee die haar iPhone omhoog hield. ‘Ik zag dat u merkte dat we foto’s hebben gemaakt. Dat mocht toch wel? Ik bedoel, we komen uit Montgomery en daar stond u vorige week in de krant bij een stuk over lijfwachten. Zo dapper en toen we u zagen, zeiden we meteen: dat is ’m.’
Ik was ingehuurd voor een dag, lijfwacht spelen voor een makelaar in onroerend goed die indruk wilde maken op een collega die een lijfwacht had omdat hij indruk wilde maken. Ik zag iets wat leek op een wapen en deed het stomste wat ik kon doen. Ik sprong en ving de kogel met een schouder. De makelaars hadden een journalist meegenomen en ik kwam als held in de Picayune en in een paar andere bladen. Tot in Montgomery toe, blijkbaar. ‘Montgomery, Ohio?’   
‘Alabama, natuurlijk, wat moet een Lee in Ohio?’
Tegen die tijd had ik haar tussen mij en Schmidt in die zijn colbertje dicht hield toen Mary-Lee zijn schouders pakte en hem zo draaide dat ze hem goed kon bekijken.
‘Een pak,’ zei ze. ‘Arme man. Weet je wel hoe warm het is?’
‘Meneer Schmidt heeft haast,’ zei ik en ik legde nadruk op de naam. ‘Hij ging net weg.’
‘Ik dacht dat we hem zagen komen,’ zei Mary-Lee die Schmidt losliet en naast haar zuster ging staan.
Ik had nu twee Lee’s tussen mij en de kleine man en voelde me veiliger. Als ik twee stappen achteruit deed en de deur dichtdrukte, zat ik goed. Ik zou het hebben gedaan als ik de pick-up van Little Levy niet had gehoord. Hij was 1 meter 90 en woog 150 kilo. Het meeste zat in zijn buik en als hij die tegen mijn dichte deur perste, was hij binnen. Daarna kon alles gebeuren wat denkbaar was. Little Levy was niet het grootste licht onder de zon. Hij vormde een paar met Lenny the Giant, een vrouw van 1 meter 17 die de manager was van een groep kleine mensen, maar zich in slappe tijden over een stuk zeil liet smijten dat was ingesmeerd met vet of olie en onderweg kegels omsloeg. Dwergbowlen was verboden in Louisiana, maar er waren honderden dingen verboden, je moest je daar gewoon niet te veel van aantrekken. Little Levy smeet Lenny the Giant met zorg over geïmproviseerde bowlingbanen en ik regelde de veiligheid en de weddenschappen, ik had er mijn huis in de wijk Algiers van gehuurd.
De Lee’s bleven staan omdat ze niet verder konden. Ze hadden zich tegen me aangedrukt met een gretigheid die mijn fantasie goed zou hebben gedaan als ik er de tijd voor had gehad.
Ze zeiden iets, keken verbaasd naar me en draaiden zich om. Schmidt bleef staan en een van de Lee’s zei ‘nou zeg’ toen zijn hoofd in haar shirt leek te verdwijnen.
‘Dat is mijn vriend,’ zei ik, meer tegen Schmidt dan tegen de vrouwen. ‘Hij heeft een twelvepack Coors bij zich. Als hij ermee zwaait, is het uit gewoonte.’
Anne-Lee boog zich naar achteren en ik zag het hoofd van Schmidt vrijkomen. Hij zuchtte en het leek me van opluchting. Het metalen geluid dat hij daarna maakte, was duidelijk genoeg voor mij. Ook voor de vrouwen.
‘Heb je een pistool?’ vroeg Anne-Lee. ‘Wat moet je daarmee? We doen toch zeker niks?’
Ze deed iets wat ik niet kon zien. ‘Een Vektor,’ zei ze. Er lag geen angst in haar stem, wel verbazing. ‘Die komt uit Zuid-Afrika, Vektor, kom je daar soms vandaan met je pak en je overhemd? We zeiden al: hij is niet van hier.’
‘Hoe weet je dat van die Vektor?’ vroeg ik om de spanning te breken. Het was een 9 mm en als Schmidt schoot zou een Lee de kogel niet voldoende tegenhouden.
‘Mijn vader wilde dus jongens,’ zei ze. ‘Nou …’
Soms doe je dingen waar je van opkijkt. Ik dacht: ik denk niet dat ik naar Montgomery Alabama hoef. En zei dat ook.
De Lee’s vielen me bij met een enthousiasme dat alle andere geluiden smoorde en als Schmidt al iets deed dan ontging het me.
Toen was Levy bij ons, met zijn twelvepack aan een middelvinger.
‘Verkopers aan de deur om deze tijd? Of hebben we een vergadering?’ Hij keek naar de jongste Lee met een begerigheid waar Lenny het niet mee eens zou zijn geweest. ‘Waarom gaan we niet naar binnen? Heeft-ie een pák aan?’
Levy was niet de snelste, maar hij was voorstander van duidelijkheid. ‘Is hij van de kerk? Om vijf uur? Door de week?’
‘Hij is niet van de kerk, Levy.’
‘Waar dan wel van?’
‘Hij staat een beetje in de weg,’ zei Mary-Lee, ‘en hij heeft een Vektor.’
‘Christus, is dat voor de verwarming? In Algiers?’
Hij hield ook van vragen, Levy. Ik had nooit begrepen waarom, antwoorden kregen zelden vat op hem.
‘Een pistool,’ zei Anne-Lee. ‘Mijn vader had geen jongens, maar wel pistolen.’ Ze stond nu weer met haar buik naar mij en liet dat weten. ‘We willen naar binnen, omdat we meneer Aabelson herkenden, maar er komt steeds iets tussen.’ Ik hoorde haar een geluid maken of de munt viel. ‘Hij is hier voor meneer Aabelson.’
‘Wie?’ vroeg Levy.
‘Hij.’ Anne-Lee hief een arm zonder zich om te draaien en wees naar achteren.
‘Ik? Natuurlijk ben ik hier voor Jeff.’ Levy tilde het bier tot ooghoogte. ‘Wat moet ik hier anders?’
Anne-Lee stuurde haar arm bij en wees naar beneden. ‘Hij natuurlijk. Hij komt voor meneer Aabelson. Met een Vektor in zijn hand.’
Ik voelde haar opzij gaan toen Mary-Lee haar meetrok. ‘Kom,’ fluisterde ze. ‘We moeten verder.’
‘Hij schiet niet,’ zei Anne-Lee. ‘Kijk eens wat ik vast heb?’
Ik gokte op de loop van het pistool en bukte me om het over te nemen, maar stopte toen Mary-Lee in de lach schoot. ‘Dát?’
‘Hij heeft de Vektor onder zijn jasje met de loop opzij. Weet je nog wat papa altijd zei?’
Ze gniffelden allebei. De oude Lee was me er eentje.
‘Hij komt alleen maar wat geld halen,’ zei ik snel. ‘Abe Schmidt heeft altijd een pistool bij zich. Hij doet niks.’
‘Ik ook niet,’ zei Anne-Lee, ‘maar ik heb heel sterke vingers.’
Schmidt zei: ‘Au.’
‘Zie je wel,’ zei Anne-Lee. ‘Gaan we naar binnen of niet?’
‘Hou maar even vast,’ zei ik, ‘dan werken Abe en ik het hier wel af.’ Ik liet een hand over de hand van Anne-Lee glijden en hielp haar knijpen. Schmidt maakte een sprongetje en ik greep het pistool. ‘Zonder geschiet gaat het beter, het is een rustige buurt. Laat maar los.’
Anne-Lee keek naar me met grote ogen. ‘Echt?’
‘Misschien wil hij ’m nog gebruiken, geef hem een kans.’
Schmidt werd centimeters kleiner toen ze losliet en hij keek opgelucht.
‘Dan ga ik maar,’ zei hij.
Ik bekeek het pistool. Er zat een patroon in de kamer.
‘Je was er klaar voor?’
De Lee’s knikten voor Schmidt het kon doen. Pa had het onderwerp wapens grondig met ze doorgenomen. Levy knikte eveneens en hij was de enige die zijn gevoelens onder woorden bracht: ‘Jezus.’
‘Wacht even,’ zei ik toen Schmidt een stapje deed. ‘Laat je rijbewijs zien, of je paspoort.’
‘Waarom zou ik die bij me hebben?’
‘Je portefeuille?’
Daar zat geld in: tien briefjes van duizend.
Ik voelde me een beetje teleurgesteld. ‘Is dat wat ik waard ben?’
‘Het is een aanbetaling. Wat doe je, schiet je me neer of laat je me lopen?’ Schmidt wees naar binnen. ‘Je kunt me toch niet vasthouden, niet lang.’
‘O, nee?’ zei Levy.
‘Hij kwam helemaal geen geld innen,’ zei Mary-Lee in een bui van inzicht. ‘Hij kwam …’ Ze beet op haar onderlip. ‘Kom, Anne-Lee, we moeten weg.’
Ik pelde zes biljetten van het stapeltje en gaf ze aan de zusjes. ‘Als ik de selfies krijg …’
Mary-Lee begreep meteen wat ik bedoelde en gaf haar iPhone. ‘Anne-Lee, jij ook. Als we geen foto’s van hem hebben, heeft niemand reden ons te zoeken.’
‘Dan zijn we de foto’s van meneer Aabelson ook kwijt en je wilde ze aan Sheryl-Lee laten zien en aan … Anders geloven ze ons niet.’
‘Ze geloven alles als wij het hotel betalen. Kom nou maar.’
‘Niet terugkomen,’ zei ik. ‘Beter van niet.’ Ik gaf Levy een tikje tegen een schouder. ‘Kijk jij of ze weggaan?’
Hij was snel terug. ‘Gierende banden. Ze hebben een huurauto.’ Hij wees met een duim. ‘Ik wil in mijn eigen stoel.’
Er stonden er twee op de veranda naast de voordeur, die van Levy was de stevigste.
‘Zet Schmidt maar op de grond dan leg ik een paar blikjes in de koelkast.’
Een minuut later zaten we naast elkaar in de schaduw, blikje in de hand, Schmidt had zijn das losgetrokken, maar het colbert aangehouden.
‘Wat doen we nu?’ vroeg hij.
Ik keek naar Levy. ‘Ik heb hem al gevraagd wie hem heeft gestuurd. Een meneer, zei hij.’
‘Uit New Orleans of Fort Adams? Als dat zo is, moet ik Lenny bellen.’
Omdat Lenny zou vertellen wat hij moest doen, de oplossingen voor problemen die Levy zelf bedacht, waren drastisch, maar zelden verstandig.
Schmidt schudde zijn hoofd. ‘Ik voer geen opdrachten uit in de plaats waar de opdrachtgever woont. Nooit gedaan. En waar ligt Fort Adams?’
‘Kun je vertellen waar je opdrachtgever wel woont?’
Schmidt knikte. ‘De vraag is of je me zou geloven als ik Boston zei, of Savannah, of Muskogee.’
‘Komt Willie Nelson daar niet vandaan?’
‘Volgens mij uit Texas, maar hem moet je niet hebben.’
‘Ik krijg het uit hem, Jeff,’ zei Levy.
‘Niet vandaag,’ zei Schmidt. Hij keek onafgebroken de weg af.
‘Omdat je iemand verwacht?’
Schmidt maakte een beweging met een hand en dronk zijn blikje leeg. ‘Als het lang duurt, komen ze me halen. Als ik nou eens gewoon wegloop? Jij het geld en het pistool, ik een wandeling?’
‘Kom je morgen terug?’
Schmidt schudde van nee. ‘Je hebt me gezien, je hebt iPhones waar ik opsta. Ik verdwijn naar het noorden, waar ik vandaan kom. Er blijven voor jou veel windrichtingen over voor als je weg wilt. Ik kan het je aanraden.’
‘Je opdrachtgever?’
‘Zal je wel blijven zoeken. Het is niet mijn probleem.’
Ik maakte een gebaar en hij stond op. ‘Warm,’ zei hij. ‘Waarom vraag je niet waarom ik een pak aan heb?’
Ik wist het, maar Levy niet. ‘Vertel maar,’ zei ik.
‘Omdat ze dan iemand in een pak gaan zoeken. Met zwarte schoenen en een overhemd met das, daarom.’
Ik hoorde Levy verbaasde geluiden maken.
‘Eronder heeft hij een shirt en een korte broek,’ zei ik. ‘En schoenen, ergens. Straks is hij een toerist.’ Ik keek naar het hoofd van Schmidt en vroeg me af hoe ik het zou moeten beschrijven. Zonder foto zou ik niet verder komen dan ‘gewoon’.
‘Morgen ben ik hier niet meer,’ zei ik.
Schmidt zwaaide kort. ‘Zei ik toch.’ Na een paar passen stond hij stil. Hij keek naar Levy. ‘Hij was toch niet gebleven, Aabelson die Meeks heet. Hij is geen blijver dus blijf niet zo boos op mij dat je me gaat zoeken.’
Levy en ik keken hem na en namen een blik Coors. Daarna dronken we de koelkast leeg en keken we naar de voorbijgangers.
‘Hij had gelijk,’ zei ik toen ik opstond. ‘Ik had al weken weg moeten zijn.’
‘Dat zegt Lenny ook,’ zei Levy. ‘Ze zegt het elk dag.’ Hij keek treurig. ‘Het is niet dat ik een twelvepack niet aankan, maar in mijn eentje smaakt het minder.’ (feb. ’16)

(dit verhaal is ook gepubliceerd door Hebban.nl in het kader van de Thrillerweek 2016)

 

De Harde manier

Jeff Meeks huilde toen Tom McClaren hem vond. Het was niet huilen van verdriet, het was huilen uit machteloosheid waarbij tranen en snot bij je mondhoeken bij elkaar komen en draden en bellen vormen alsof je lippen schuimen. Hij lag een paar meter boven de bodem van een ravijn dat vol stond met afgebroken dennen en struiken met kale takken. Als hij een oog open deed zag hij de rand, meer dan tien meter hoger, misschien vijftien. Hij was gestruikeld, naar de rand gegleden en omgetold, precies zoals stuntmannen dat doen voor een film, rond en rond terwijl zijn armen tegen rotspunten sloegen en stenen meenamen die jaren hadden liggen wachten op een sukkel die zijn evenwicht verloor op een besneeuwd pad. Zijn val was gebroken door een richel waar hij op had gelegen tot hij een arm had bewogen, zoekend naar houvast. De richel was een paar meter boven hem, maar hij wist zich niets te herinneren van de tweede val. Hij wist ook niet meer hoe vaak hij bij bewustzijn was geweest. Hij hing over een boomtak die kraakte en hij kreunde, proefde zout snot en voelde iets dat in zijn rug prikte.
‘Laat je vallen.’
De stem klonk niet als die van een mens, niet in Meeks oren. Ze klonk als het gekraak van oud hout, als iets dat niet bestond, maar dat in een droom huiveringwekkend echt was. Daarom deed Meeks het enige wat hij wist te bedenken. Hij spande zijn spieren, sloot zijn ogen en probeerde zich te concentreren op iets anders dan angst.
Hij hoorde de zin opnieuw. En opnieuw. Pas toen er een vloek klonk geloofde hij dat de woorden van een menselijk wezen kwamen en voelde hij een gloed die van zijn hoofd naar zijn tenen vloeide.
Hij bewoog een hand, een arm, zijn lichaam. Hij viel, hoorde takken kraken, zonk weg in iets dat zwart was, maar dat nog steeds warm aanvoelde en zag, later, veel later, het mooiste gezicht dat hij ooit had gezien.
Het hing vlak boven hem en het had stoppelwangen, een snor, een rafelig baardje en een gebit waarin halve tanden zaten die bruin waren aan de rand. Op de onderdelen viel misschien af te dingen, maar het totaal was zo mooi dat Meeks het gezicht wilde aaien.
‘Opstaan,’ zei het gezicht en een adem die rechtstreeks uit een maag leek te komen drong in Meeks’ neus. ‘Je staat op of je blijft hier om te creperen.’
Meeks probeerde het drie keer en viel drie keer om. Hij wilde kan niet zeggen, maar kwam niet verder dan gepruttel waarbij speeksel over zijn onderlip gleed.
De man liep weg zonder een woord te zeggen en Meeks huilde opnieuw. Hij wilde de man roepen, zeggen dat hij spijt had van de gedachte kan niet, dat hij pijn had, honger. Hij wist zeker dat hij help me zei, maar niet hard genoeg en hij zag de man kleiner worden en tussen de bomen verdwijnen. Meeks wist zeker dat hij dood zou gaan in een smal ravijn vol afgebroken dennen in een uitloper van de Rocky Mountains die Kettle River Range werd genoemd en proefde opnieuw snot.
De man kwam terug toen Meeks zich erbij had neergelegd dat hij nooit meer een mens zou zien en zijn eerste gedachte was die van een overstelpende liefde. Hij wilde de man omhelzen, hem zoenen, roepen dat hij wel wist dat hij niet zou worden achtergelaten, dat ...
Hij bewoog alsof hij spasmen had toen de man zijn rechtervoet pakte en trok. De pijn was zo overweldigend dat Meeks een schreeuw gaf die te groot was voor zijn mond, zoveel geluidsgolven tegelijk dat ze elkaar in de weg zaten en stierven in een dierlijk gekreun.
‘Gebroken,’ zei de man. Hij trok zich niets aan van de armbewegingen van Meeks, maar bond takken langs het been met repen huid waar vleesresten aan zaten. Daarna pakte hij Meeks’ handen en sleepte hem mee langs de afgebroken stammen, door kreupelhout, door een riviertje met ijskoud water naar een helling die zo steil was dat hij na elke drie meter krachten moest verzamelen.
Het bouwsel waar hij naartoe liep leek op een blokhut die niet af was. Tussen de boomstammen die de wanden vormden zaten kieren, in het dak zat een gat, voor het raam was een stuk huid gespannen en de deur was spaanplaat dat door vocht krom was getrokken.
De man trok Meeks op een verhoging die een bed zou kunnen zijn, zette een glas met water naast hem en zei dat hij moest drinken en slapen.
‘Ja,’ zei Meeks en hij stopte vier vingers in zijn mond om op te bijten als te pijn te hevig werd. Zijn been, zijn ribben, zijn rechterschouder, de sneden in zijn gezicht, zijn ontvelde vingers, alles klopte en schrijnde. Als de man niet was teruggekomen dan was hij doodgegaan en dood deed tenminste geen pijn.

Op de tweede dag vroeg de man aan Meeks hoe hij heette.
‘Jeff Meeks,’ zei Meeks. ‘Ik kom uit ...’ Hij hield zijn mond toen de man een hand opstak.
‘Genoeg, voorlopig. Ik ben Tom McClaren. Als je Tom zegt dan gooi ik je de berg af. Alleen vrienden en familie zeggen Tom en vrienden en familie heb ik niet. Jij zegt McClaren als je iets te zeggen hebt. Als je niks te zeggen hebt dan zeg je niks. Snap je dat?’
Meeks maakte duidelijk dat hij het begreep door niets te zeggen en hij zag dat de man het waardeerde.
‘Je bent op Carlys Piek,’ zei McClaren na uren van stilte. ‘Deze berg heet zo omdat ik ’m zo heb genoemd. Beneden, in het dal achter het dal waar je uitkomt als je afdaalt, wonen mensen die me de Gek van Carlys Piek noemen. Dat mag je ook zeggen: Gek. Je mag alles zeggen, maar geen Tom. Je mag ook weggaan. Dat heb ik het liefst. Dit is mijn berg en mijn hut. Niemand komt hier omdat niemand hier wil zijn. Oké?’
‘Oké,’ zei Meeks. Hij begreep de mensen in het dal volkomen. Hij wilde hier ook niet zijn. Hij wilde nergens pijn lijden, maar zeker niet op een berg waar het koud was en waar hij halfrauw vlees kreeg en water dat smaakte naar een combinatie van rottend hout en oudemannenspuug. Hij zei het nog een paar keer: ‘Oké.’ De woorden waren niet bedoeld als bevestigingen, maar als aanzetjes tot een gesprek. McClaren reageerde er niet op. Hij ging naar buiten en bleef weg tot het donker werd. Hij maakte eten voor zichzelf zonder iets te zeggen, stak een olielamp aan en pakte een boek waarvan de randen waren gekruld. Terwijl hij las bewogen zijn lippen. Soms prevelde hij en een enkele keer was een woord te verstaan. Toen Meeks zei: ‘Wat lees je,’ zei McClaren: ‘Hou je bek.’

Na twee weken waarin Meeks lag, water dronk en vlees at en McClaren overdag buiten was en ’s avonds in het boek las veranderde het weer. De sneeuw smolt en zon scheen door de kieren van de wanden en door het gat in het dak. Die dag zette McClaren het water niet naast het bed waarop Meeks lag, maar bij de deur.
‘Ga het maar halen als je dorst hebt. Als je kunt opstaan om te pissen kun je het ook om te drinken.’
Hij bleef onbeweeglijk staan tot Meeks zich naar de deur had gesleept en had gedronken.
‘Als je dat kunt dan kun je ook werken voor de kost. Ik zal je wijzen waar het riviertje is. Jij haalt water, ik haal eten.’
Meeks deed er meer dan een uur over om bij het riviertje te komen dat een kleine honderd meter lager stroomde en bijna twee uur om de volle plastic zak naar boven te slepen. Hij had pijn in zijn schouder, zijn ribben leken uit elkaar te scheuren en als hij zijn rechterbeen verkeerd neerzette trokken pijnscheuten van zijn kuit naar zijn kruis. Hij vervloekte de takken die als spalken dienden en die bij elke stap in zijn lies prikten.
Die avond kon Meeks voor het eerst iets verstaan van McClarens geprevel. ‘Bij gevaarlijke zaken zijn vergissingen die voortkomen uit weekhartigheid juist de ernstigste.’
Meeks begreep de hint. ‘Je hebt het over mij.’
McClaren sloeg het boek dicht. ‘Ik heb het over de vraag of ik je de berg af moet gooien. Wat kom je hier doen, Jeff Meeks.’
In twee weken kun je veel nadenken en Meeks was klaar voor het antwoord.
‘Vluchten,’ zei hij. ‘Of schuilen, het is hoe je het bekijkt.’
McClaren legde het boek weg en sloeg met een vlakke hand tegen zijn maag tot hij boerde. ‘Allemaal nutteloze lucht. Ik bekijk het graag van alle kanten. Begin maar met vluchten.’
‘Ik heb iemand neergeslagen,’ zei Meeks. ‘In St. Paul, in de buurt in elk geval, Lino Lakes, dat ligt net ten noorden. Hij liep me in de weg, een man in burger, zo leek het, maar hij was een rechercheur. Later hoorde ik dat hij dood was. Toen ben ik naar het buitenland gegaan, meer dan drie jaar geleden. Zuid-Amerika, Australië, poosje Azië. Daarna wilde ik terug, ik weet niet waarom, ik wilde terug.’
‘Naar St. Paul.’
‘Naar mijn geboorteland, maakte niet uit waar. Ik ben via Canada gekomen, en daarginds,’ hij wees naar het noorden, ‘de grens overgestoken. Het was niet moeilijk.’ Meeks deed of hij nadacht. ‘Dat was een maand of twee geleden. Ik trek rond, noem het maar zwerven, tentje, paar kleren, ik was op weg naar het zuiden toen ik in het ravijn viel.’
‘Samen met je tentje en een paar kleren.’
‘Mijn kleren moeten bij het pad liggen waar ik van af ben gegleden. Mijn tent ook.’
‘Je kunt ze zoeken als je been goed is,’ zei McClaren. ‘Ze lopen niet weg. Dat is het verhaal? Misschien wil je er nog iets aan toevoegen of wijzigen?’
‘Nee,’ zei Meeks.
‘Ik heb in Minneapolis gewoond,’ zei McClaren. ‘Vertel eens over St. Paul?’
Meeks hoorde het braampje aan de raspende stem en hij zag de lichtjes in de ogen van McClaren, het waren geen lichtjes die hij wilde zien.
Precies het zwakke punt. Dagen had hij gepiekerd over de plaats die hij zou noemen als McClaren vragen ging stellen. Boston, Cleveland, St. Antonio, elke plaats kon hij gebruiken, behalve Denver. Hij was geboren in Denver, was er opgegroeid, was er vandaan gevlucht, niet van plan er ooit nog een voet te zetten. Hij had gekozen voor St. Paul omdat hij er een vriend over had horen praten. In St. Paul kwam niemand, je had er niks te zoeken. St. Paul leefde op als het negen uur in de ochtend was, het stierf om vijf uur als de kantoren uit waren. Van Lino Lakes  had hij een keer een foto gezien. ‘Beeld van Lino Lakes, parel ten noorden van St. Paul’. Elisha had tegen de foto getikt en gezegd: ‘Als ze dat een parel noemen dan zijn ze in het noorden gauw tevreden.’ Elisha was de liefde van zijn jeugd en als zij iets zei dan was het zo. Vanaf die dag zeiden ze ‘Erger dan Lino Lakes’ als ze iets zagen dat lelijk was en dan stootten ze elkaar aan en lachten ze het lachje van samenzweerders.
‘Niet St. Paul,’ gaf Meeks toe. ‘Niet Lino Lake. Een plaats waar ik niet meer naartoe kan. Een eind weg. Duizend mijlen. Meer.’
‘Het is me wat,’ zei McClaren die deed of hij moest gapen. ‘Jij komt niet van St. Paul, ik ben nooit in Minneapolis geweest.’

Midden in de nacht maakte McClaren Meeks wakker. ‘Vertel het verhaal nog eens? Over dat vluchten en terugkomen en zo. Denk maar even niet aan wat er gebeurt als ik op je benen ga staan en je daarna mijn berg af gooi. Vertel het spontaan, je mag er bij hakkelen.’
Meeks was slaperig, verward, bang. Het gezicht van McClaren hing vlak boven hem en een hand drukte tegen zijn gekneusde ribben. Hij vertelde op de manier waarop iemand dat doet die niets heeft voorbereid, met zijsprongetjes, stapjes terug, bijzinnen die zover van de hoofdzin dwaalden dat ze nergens op leken, beschrijvingen die niets betekenden voor iemand die de situatie niet kende.
McClaren stoorde zich er niet aan. Hij bleef boven Meeks hangen en tilde zijn hand zover op dat ademhalen zonder pijn mogelijk was. Hij zei geen woord tot Meeks afsloot met: ‘Dat was het. Zo’n beetje. Alles. Geloof ik.’
‘Op televisie maken ze er een jankserie van,’ zei McClaren. ‘Ik vat het even samen. Geboren in Denver, wees na een auto-ongeluk van je ouders en je zusje, moeilijke jeugd vol ruzie met je oudoom die voogd was en met de rest van de wereld, gekloot met drugs, halfwas-hulpje van een mafiabaas, overval op een casino waarbij je maten je in de steek lieten, een aftocht in blinde paniek waarbij je een rechercheur neersloeg die dood ging, vlucht naar het buitenland, heimwee, val in een ravijn, gesnotter in een blokhut op Carlys Piek. Geloof je jezelf?’
‘Ja,’ zei Meeks.
‘Ja,’ herhaalde McClaren. ‘Als het waar is dan zoeken ze je en als ze ontdekken waar je zit dan komen ze je halen.’
‘Ze vinden me niet.’
McClaren rochelde, spuugde op de grond en hield de olielamp zo dat het licht een schaduw wierp die golfde over de boomstammen in de wand en het dak. ‘Een groot deel van de inlichtingen die ons bereiken is tegenstrijdig, een nog groter deel is onjuist en verreweg het grootste deel is in hoge mate dubieus.’
Meeks keek naar de schaduw achter McClaren. ‘Dat heb je uit dat boek waarin je elke dag leest.’
‘En uit ervaring. Heb je je al afgevraagd waarom ik op Carlys Piek woon?’
‘Nee,’ zei Meeks.
‘Houwen zo,’ zei McClaren. ‘Een gek kan overal wonen.’

Dagenlang hield Meeks zich bezig met de vraag waarom McClaren op een berg in een uitloper van de Rocky Mountains woonde, waarom hij zijn blokhut niet had afgebouwd, waarom hij elke avond in hetzelfde boek las dat hij uit een kist haalde waar een slot op zat. Hij dacht er over na als hij binnen lag en als hij buiten strompelde, tussen de bomen en de rotsblokken waar berenklemmen lagen en waar strikken waren gespannen van dun ijzerdraad. Zijn gepieker leidde tot niets en McClaren sneed elke vraag af met: ‘Zeuren doe je maar in het dal.’
Toen een nieuwe vraag zich opdrong was hij verbaasd over zichzelf. Nu pas? ‘Wat deed je bij het ravijn waar ik in ben gevallen?’ vroeg hij toen McClaren klaar zat voor zijn dagelijkse uur lezen. ‘Zo dichtbij is het niet.’
McClaren opende het boek, deed of hij las, sloeg het dicht. ‘Ik vroeg me al af wanneer je er mee zou komen.’
‘Waarom ging je naar dat ravijn? Toeval?’
McClaren sloeg het boek weer open. ‘Ik zal je wat voorlezen over toeval.’
‘Nee,’ zei Meeks. ‘Hoe kwam het dat je me vond.’
‘Met het toeval neemt de onzekerheid en hand in hand daarmee het geluk, een belangrijke plaats in.’
Meeks keek naar McClaren en maakte een gebaar met een hand. ‘Hoe luidt de rest van de zin?’
McClaren grijnsde. ‘Waarom denk je dat er een rest is?’
Meeks had geen idee. ‘Wat is het eigenlijk voor een boek?’
‘Mijn boek,’ zei McClaren. ‘De een heeft een bijbel, ik heb dit. Ik had verwacht dat je je zou concentreren op het woord geluk.’
‘Door toeval ging jij naar dat ravijn en toen had ik geluk?’
‘Zoiets.’
Meeks wist dat toeval en geluk er niets mee te maken hadden. ‘Mijn spullen liggen er nog.’
‘Ga ze maar halen, morgen. Als je ze vindt, pak ze dan en waggel door. Ik ben je liever kwijt dan rijk.’
Voor het eerst had Meeks de neiging om op te staan, naar buiten te lopen en de berg af te dalen, maakte niet uit wat er van kwam. Toen hij McClaren zag glunderen zag hij er van af. Hij draaide zich om en probeerde niet te denken. Drie keer werd hij nat van het zweet wakker. In alle dromen werd hij vermoord door een man die een boek in een hand hield en er hardop uit voorlas terwijl hij Meeks doodstak (eerste droom), van een berg afduwde (tweede) en, zittend op zijn neus, bedorven vlees in zijn mond propte.

In de dagen die volgden deed Meeks oefeningen. Hij spande zijn spieren en tilde zijn benen op tot het trillen te hevig werd. Hij sloeg met de zijkant van zijn handen en zijn knokkels tegen de tafelrand, eerst zachte tikken, later harde. Hij tilde het houten tafelblad op dat rustte op drie brokken rots en hield het omhoog tot zweet in zijn ogen liep.
Het deed pijn. Zijn linkarm was bruikbaar, maar zijn rechter leek geen goede verbinding met de schouder te hebben. Zijn ribben stonden in brand en er was iets met zijn rechterschouderblad dat hem zorgen baarde.
Hij deed zijn oefeningen voor hij water haalde en nadat hij de waterzak in de ton naast de blokhut had geleegd. Daarna rustte hij uit tot hij genoeg kracht had verzameld voor een rondje om de blokhut. Hij ging steeds verder, maar hoorde niet één keer een menselijk geluid. Wel schoten, meestal in de verte, soms dichtbij. In alle gevallen kwam McClaren terug met een vogel, een eekhoorn, een konijn, nooit met een geweer.

Meeks besloot dat het probleem vuurwapens eerst opgelost diende te worden. Daarna zou hij zich buigen over de vraag of hij gast was of gevangene. Hij was trots op zichzelf toen hij inzag dat beide vragen met elkaar te maken hadden. Er was geen reden om een geweer te verbergen voor een gast.
Vanaf dat moment beschouwde Meeks zich voor alle zekerheid als de gevangene van de Gek van Carlys Piek. Hij verbaasde zich erover dat het hem opluchtte en hij schreef dat toe aan het feit dat hij geen denker was. In Denver had altijd wel iemand voor hem gedacht, in het buitenland had hij baantjes gehad variërend van schapenhoeder tot inpakker van vlees, hulpje op een vrachtwagen en bermenmaaier; geen werkzaamheden waarbij denken een pluspunt was. Vragen waren er om te ontlopen, zoveel mogelijk. Elke keer als Meeks dat had vastgesteld streek hij met een hand langs de takken die om zijn been waren gebonden. Ontlopen beschouwde hij als iets fysieks, het werd tijd dat hij werk maakte van het ontlopen van McClaren. Gips werd van een been geknipt na zes weken, dat wist hij, maar hij had geen idee of een breuk sneller of juist langzamer heelt als je de delen bij elkaar houdt met takken.
De enige manier om daar achter te komen was de repen huid te verwijderen. In de eerste twee weken had McClaren het een paar keer gedaan, daarna had hij er niet meer naar omgekeken. De repen die aanvoelden als brokkelig leer zaten strak en Meeks was een half uur bezig met peuteren en trekken. Het been deed pijn bij elke beweging, maar dat viel in het niet bij de pijn die hij voelde toen hij de laatste tak had verwijderd en de knie boog. Zijn gil was zo schel en hard dat elk ander geluid leek te verdwijnen. De wereld stolde en leek zich van hem af te keren. Meeks wist zeker dat hij zijn onderbeen zou verliezen. Het zou van hem afvallen en wegrollen, de berg af, helemaal tot in het dal waar vogels eraan zouden pikken en ratten de botten schoon zouden knagen.
Hij zat nog steeds onbeweeglijk toen McClaren naar hem toeliep.
‘Eindelijk initiatief,’ zei de oude man. Hij liet het hert vallen dat hij had meegesleept. ‘Ik vraag me al dagen af of je plannen hebt. Je zit te broeien. Dat ben je niet gewend, iemand als jij wordt wanhopig van broeien.’ Hij trok Meeks overeind. ‘Je bent weken te vroeg, maar nu je zover bent kun je het beter proberen. Loop, waggel, sukkel, maar gebruik dat been. Zolang je niets hoort knappen blijft het zitten.’
Meeks bewoog zich niet. ‘Ben ik je gevangene of je gast?’
McClaren keek tevreden. ‘Ik dacht wel dat het zoiets was. Als ik dit hert niet meteen slacht gaat het stinken. We hebben het er nog wel over. Ga staan en test je been. Wees voorzichtig. Als je valt dan laat ik je liggen.’

Het duurde lang en het was pijnlijk, maar Meeks liep. Van de blokhut naar het houten gevalletje tussen drie sparren dat McClaren schuurtje noemde. Van het schuurtje naar de open plek waar handgezaagde stammen lagen, een paar stukken ijzer, plastic dat groot genoeg was om het gat in het dak mee te bedekken, een pak met spijkers die aan het roesten waren, een veldfles, de restanten van een speelgoedbeer zonder benen, een plastic doos gevuld met vrouwenkleren.
Meeks keek lang naar de vrouwenkleren. Ze leken verschillend van maat, maar wat wist hij van maten. De kleren deden hem denken aan de kledingstukken die zijn eigendom waren en die nog steeds op de helling lagen waar McClaren hem had gevonden. Als ze er nog lagen. Misschien had McClaren ze meegenomen en verstopt, misschien hield de oude man van gezelschap dat weken deed met dezelfde onderbroek en hetzelfde shirt. Toen Meeks daar over nadacht kreeg hij behoefte om andere kleren aan te trekken. Nu hij de takken had verwijderd die langs zijn been hadden gezeten was het mogelijk van onderbroek te wisselen. Een schoon T-shirt was nog harder nodig. Het shirt dat hij droeg was na zijn val nat geworden en weer gedroogd, nat geworden en gedroogd. Het was wit geweest toen hij het aantrok. Niet waspoederwit, maar wit genoeg. Nu was het grijs met bruine en zwarte strepen, vooral bij de oksels. De strepen zagen eruit of hij uit zijn oksels had gepoept en voelden hard aan; als ze braken dan ontstond er een breuklijn als bij een korst oud brood.
Hij moest de blokhut doorzoeken, de omgeving, de plaats waar hij in het ravijn was gevallen, hij moest andere kleren, vandaag nog, om een of andere reden was dat belangrijk. Hij strompelde rond en keek onder alles wat op de open plek lag. Hij vond geen kleren, maar besefte tot zijn verbazing dat lopen steeds minder pijn deed en dat hij er niet meer bij elke stap aan dacht om zijn gewicht vooral op het goede been te laten rusten. Zijn kniegewricht was nog gevoelig, maar hij wist dat het van korte duur zou zijn. De breuk had in het onderbeen gezeten. Waarom had McClaren takken genomen die bijna tot het kruis reikten en waarom had hij de takken ook boven de knie vastgezet? Omdat hij in het ravijn geen risico wilde nemen dat het been zou dubbelklappen en ergens achter zou blijven haken? Maar waarom had hij dan in de eerste weken toen hij de takken had losgemaakt en opnieuw had vastgezet geen kortere genomen?
Omdat hij niet wilde dat ik verder zou komen dan de rivier. Dat was de conclusie van Meeks. Omdat hij me het liefst binnen wilde houden, hulpeloos liggend op een bed van twijgen en blad. Omdat ik zijn gevangene ben.
Hij zocht een plaats waar weinig bomen stonden en keek naar beneden. Er was een dal, er waren mensen, ergens. McClaren was twee keer urenlang weggeweest en met voedsel teruggekomen dat verpakt was. Brood met een wit papier er omheen. Pakken die er uit hadden gezien als koffie. Meeks had alleen water gekregen. McClaren dronk dat soms ook, maar niet vaak en nooit veel. Waar dronk hij zijn koffie? Waar haalde hij brood en koffie vandaan?
Meeks zag alleen struiken, bomen met resten sneeuw op de takken, ijs dat drupte en kleine stroompjes vormde die zich over de helling slingerden. Over een paar weken zou de laatste sneeuw verdwenen zijn. Hij moest het tot die tijd volhouden. Niets van zijn argwaan laten merken. Krachten verzamelen en de omgeving verkennen.
Hij keek langs de helling tot zijn ogen traanden, vond een tak boven ooghoogte die er stevig uitzag en trok zich op tot hij zijn armspieren voelde kraken. Zijn rechterschouder deed nog pijn, maar daar had hij pas last van toen hij gebukt stond uit te hijgen. Hij schreef het toe aan een combinatie van adrenaline en woede. Als hij kwaad genoeg was zou hij McClaren kunnen vermoorden, maar hij betwijfelde of hij voldoende eten zou kunnen vinden om het vol te houden tot de sneeuw gesmolten was en de berghelling niet langer leek op een doorweekte glijbaan.

‘Heb je de kleren gevonden?’ vroeg McClaren nadat hij een stuk vlees naast Meeks had gelegd dat er even weerzinwekkend uitzag als het rook.
Meeks wilde hoezo kleren zeggen, maar hij slikte het in. McClaren moest hem in de gaten hebben gehouden. Ook iets om aan te denken in de komende tijd. ‘Heeft hier een vrouw gewoond?’
McClaren verslikte zich en hoestte tot zijn gezicht donkerrood zag. Hij hield geen hand voor zijn mond en Meeks zag stukjes voedsel voor de borst van McClaren dansen en langzaam naar zijn schoot zakken. Hij had McClaren niet zien eten, maar het waren beslist voedselresten. De stukjes zagen er beter uit dan het vlees dat naast hem lag. ‘Is van ... is van een .. toe...hoerist,’ raspte McClaren. ‘Vrouwen. Hier?’ De verontwaardiging won het van het gebrek aan lucht. ‘Hier komt geen vrouw binnen. Nooit.’
‘Dus als ik een vrouw was geweest.’
‘Dan had ik je laten liggen. Voor een beer, of een wolf, een coyote.’ McClaren keek verlekkerd toen hij de namen opsomde van de dieren die hij op en om Carlys Piek had gezien.
‘Waar komen die vrouwenkleren dan vandaan?’
McClaren snoot zijn neus in een hand en veegde het snot af aan zijn broek. ‘Toeristen.’
‘Komen die hier?’
‘Niet als het aan mij ligt,’ zei McClaren. ‘Als je het op Carlys Piek uithoudt dan krijg je je kans nog wel.’
De vraag hing lang in de lucht voor Meeks haar uitsprak. ‘Kans?’
‘Om een toerist te schieten. Het wordt lente, dan komen ze.’
Jezis, dacht Meeks, hij meent het.
Hij probeerde niet geschrokken te kijken. ‘Om te schieten heb ik een geweer nodig.’
McClaren knikte.
‘Ik heb geen geweer. Hier is geen geweer.’
McClaren glimlachte. ‘Toch hoor je elke dag schoten.’
‘Dat ben jij. Waar is je geweer?’
‘Waar ik ’t nodig heb,’ zei McClaren. ‘Dat is niet hier.’ Hij liep naar Meeks en tikte tegen het been. ‘Ik zou er een paar stokken tegenaan binden. Je draait nogal in je slaap.’
‘Ik heb schone kleren nodig. Een T-shirt.’
‘En een onderbroek. Buiten vind je ze, morgen, zoek maar goed.’
‘Mijn eigen kleren?’
‘Die liggen waar je ze hebt achtergelaten. Het duurt zeker een week of wat voor je die kant op kunt.’
‘Oké,’ zei Meeks. ‘Wanneer krijg ik koffie?’
Daar ging zijn voornemen om geen argwaan te wekken, hij zag het aan McClarens gezicht. De oude man reageerde niet, maar zijn ogen werden klein en hij klemde zijn kaken met zoveel kracht op elkaar dat zijn mond er breder door werd. Wreder.
Uren later keek McClaren op uit zijn boek. ‘Bij iedere regel die betrekking heeft op de morele krachten moet de theorie het aandeel voor de geest zweven dat de morele grootheden daarin kunnen hebben, wil ze zich tenminste niet tot categorische uitspraken laten verleiden, die de ene keer te bedeesd en te beperkt, de andere keer te aanmatigend en te ruim zijn.’
Meeks begreep niets van de zin, maar hij zag de ogen van McClaren en diens mond in het licht van de flakkerende olielamp. Hij huiverde. Wat McClaren ook deed, alles werd bepaald door de tekst van het boek waarin hij las.
Kleren waren belangrijk, goed lopen was belangrijk, koffie was belangrijk, maar het belangrijkst was het boek. Meeks nam zich voor om, voor hij de berg afdaalde, het slot van de kist te slaan en te kijken welk boek het leven van de Gek van Carlys Piek beheerste.

De broek lag in een plastic bak tussen het struikgewas langs de rivier. Het mes stak in een oksel van de boom achter de struiken. Meeks keek er watertandend naar. In de blokhut lagen messen, maar ze waren kort en net scherp genoeg om vlees mee te snijden. Dit was een lang mes met een lemmet dat puntig toeliep en dat twee keer zolang was als het heft dat aanvoelde alsof het voor hem was gemaakt. Hij trok het mes los en drukte het meteen terug zonder dat hij exact onder woorden kon brengen waarom.
Hij was vaker op deze plaats bij de rivier geweest, een paar dagen geleden nog, de eerste dag waarop zijn knie geen pijn deed en hij het gevoel had dat hij eindelijk rechtop liep. Hij had geen mes gezien. Was het er niet geweest of had hij zich te veel geconcentreerd op zijn manier van lopen: linkervoet stevig op de grond, rechter aarzelend alsof elk stukje bodem zou kunnen inzakken en elke steen de intentie had weg te rollen.
Meeks keek opnieuw naar het mes dat blonk in de ochtendzon. Het was er twee dagen geleden niet geweest. Het was gisteren of vanochtend in de boom gestoken. Door McClaren, wie anders. Meeks kon maar één reden bedenken. Het was een test. Of een valstrik. Als hij het meenam en er niet over sprak dan zou McClaren concluderen dat Meeks een wapen wilde waarvan hij het bezit geheim wilde houden. Als hij het wel toonde zou de oude man waarschijnlijk zeggen: ‘Dat was ik vergeten, vanmorgen, geef maar.’
Dat dacht Meeks, terwijl hij naar het mes keek tot zijn ogen traanden. Als hij de broek aantrok dan was duidelijk dat hij wist van het mes. Voor alle zekerheid vouwde hij de broek uit en hield hij hem tegen zich aan. Het kledingstuk was nat, maar groot genoeg en het vertoonde geen scheuren.
Meeks legde de broek terug, schoof de bak onder de struiken en keek nog een keer naar het mes. Het was een spelletje. Hij begreep de regels niet, maar het was een spel. McClaren was hem aan het testen, of aan het provoceren. Meeks met een mes, McClaren met een geweer.
Toen hij zover was met zijn conclusies dook Meeks in elkaar. Bij een spel hoorde dat je elkaar in de gaten hield. Hij ademde opgelucht toen hij in de verte een schot hoorde. McClaren was aan het jagen.
Of aan het oefenen, dacht Meeks en hij voelde zich warm worden. Hij bleef staan tot hij was afgekoeld en schudde het hoofd: McClaren is aan het jagen en ik begin te malen. Hij had me in het ravijn kunnen laten liggen, hij had me aan stukken kunnen snijden toen ik voor lijk in de blokhut lag, hij had me kunnen vergiftigen, niemand zou het hebben gemerkt.
Hij had me ook goed vlees kunnen geven, en koffie, en de broek die in de plastic bak ligt. Hij had me de weg naar het dal kunnen wijzen en naar ‘het dal achter het dal’ waar mensen wonen. Hij had als hij koffie had gekocht een paar mannen mee kunnen nemen om me naar beneden te helpen, naar een plaats waar een dokter naar mijn been kon kijken, naar mijn schouderblad, mijn ribben, naar de snee achter mijn oor die anderhalve week heeft geëtterd en die nog steeds schrijnt.
Dat dacht Meeks terwijl hij bij het riviertje stond en zich radeloos voelde. Hij had honger en was kwetsbaar als een kind dat niet weet wat het moet doen. Hij herkende het van vroeger en hij deed wat hij als kind deed: hij ging iets onschuldigs doen, iets nuttigs waar hij niemand mee kon kwetsen, zelfs zichzelf niet.
Hij liep rondjes rond de boom met het mes, steeds grotere rondjes, helling op, helling af waarbij hij niet langer alleen maar lette op de manier waarop hij zijn rechtervoet neerzette. De ondergrond was ongelijk, met veel uitstekende wortels, stenen die weggleden en takken die knapten of zwiepten. Bij de rivier lagen stenen die waren meegespoeld, op een paar plaatsen zag hij resten van een dier dat was gestorven en aan stukken was getrokken. Tussen de bomen lag aarde die glad was van de sneeuw en die op plaatsen waar geen zon kon komen nog dagen glad zou blijven. Elke stap was een aanslag op het kwetsbare been, maar Meeks liep langzaam en hij was gaan wennen aan wat hij ‘hobbelen’ noemde. Op drie plaatsen zag hij strikken die McClaren had gezet en op een smal pad dat naar de rivier voerde zag hij een grote ijzeren klem. Niet ver ervandaan zag hij een tweede mes, klein, roestig en scherp. Het was op ooghoogte, McClarens ooghoogte, in een spar gestoken en om het heft hing een rolletje ijzerdraad. Er lag geen plastic bak onder, en geen kleding. Dichtbij de klem vond Meeks botten. Waarschijnlijk had er vlees aangezeten dat er was afgevreten door dieren die slim genoeg waren om niet op de klem te trappen.
Het T-shirt lag onder een stapeltje stenen aan de rand van het water. Het was nat en er zat een rafelig gat in waardoor Meeks aan een rat of een bever moest denken. Hij spreidde het shirt uit, keek er naar zonder het te zien en doorzocht de omgeving. Geen mes in de buurt.
Hij krabde aan de harde stukken in het T-shirt dat hij droeg en nam een besluit. Hij zou het gevonden shirt meenemen, drogen en aantrekken. Als McClaren er een opmerking over maakte zou hij verwijtend kijken en iets zeggen als: ‘Je wist dat ik een shirt nodig had, waarom heb je het niet voor me meegenomen.’ Meteen in de aanval, zo zou hij het aanpakken.

‘Shirt gekocht?’ vroeg McClaren nadat hij Meeks een stuk vlees had gegeven dat nu eens niet uit een afvalbak leek te komen. Hij keek erbij alsof hij een grap had gemaakt die hij al dagen paraat had.
Meeks dacht aan wat hij had willen zeggen en zei: ‘Ik vond het bij de rivier.’
McClaren knikte.
Meeks wachtte tot hij wist dat McClaren zou blijven zwijgen. ‘Hoe kwam het daar?’
‘Hoe denk je?’
Meeks haalde zijn schouders op en hoopte dat McClaren zelf het antwoord zou geven. Het kwam twee uur later, nadat de oude man in zijn boek had gelezen, naar buiten was gegaan (boek in de hand) voor iets waarbij hij veel moest zuchten en kreunen, een stuk brood had gegeten dat hij van buiten had meegenomen en, in het donker, zijn olielamp had bijgevuld.
‘Je bent een wonderlijke combinatie van domheid en praktisch inzicht, jongen,’ zei hij nadat hij de kist had afgesloten.
Het was de eerste keer dat de oude man ‘jongen’ zei en Meeks hoorde iets van betrokkenheid, misschien zelfs van genegenheid. McClaren sneed een reactie af. ‘Als je andere kleren had gewild had je er om kunnen vragen. Wat is er mis met vragen? Jij ligt binnen te niksen, je maakt rondjes bij de rivier, je loopt te broeien, maar vragen is er niet bij. De kleren die bij de rivier liggen zijn van toeristen die er in het voorjaar en in de zomer kamperen. Toeristen en jagers, al is er nauwelijks verschil. Ik jaag ze weg, meestal midden in de nacht. Ik schiet een gat in hun tent en snij een stuk uit hun slaapzak. Ik wil ze niet op mijn berg. Ze rennen weg in hun blote kont en ze komen niet terug. Eentje wel, met een politieman, maar ik zei: “Bewijs het of donder op,” en toen gingen ze weg. Sommige kleren zijn jouw maat. Als je een schoon T-shirt had gewild dan had je dat kunnen vragen in plaats van aan korsten te krabben, te stinken en verwijtend naar me te kijken. Je had huiden aan elkaar kunnen naaien en over je kop kunnen hangen. Dat doe ik als ik buiten ben en het koud is. De huiden liggen in het schuurtje, je hebt ze gezien. Jij bent een kijker, jongen. Je ziet veel, maar je vraagt niks. Je bent een piekeraar, wat je moet doen is combineren.’ McClaren legde het hoofd in de nek. ‘De zintuiglijke indrukken zijn sterker dan de ideeën die het berekenende brein zich heeft gevormd. Denk daar maar eens over na. Is er verder nog iets waar je nieuwsgierig naar bent?’
Messen, dacht Meeks. ‘Nee,’ zei hij.

Aan het einde van de zesde week op Carlys Piek had Meeks zeven messen gevonden, een geweer waarvan de loop was verbogen en een geweer met een versplinterde kolf en vier patronen. Hij raakte het aan met trillende vingers, maar durfde het niet mee te nemen. Hij zou de plaats onthouden en het geweer ophalen als hij het nodig had. Het stond tegen een boom op meer dan twintig minuten lopen van de blokhut, maar zijn been voelde goed aan en hij was al een paar keer zover de helling afgedaald dat hij zeker wist dat hij in geval van nood het eerste dal zou kunnen bereiken. Waarschijnlijk ook het ‘dal achter het dal’.
Hij was elke avond teruggegaan naar de blokhut en had elke dag oefeningen gedaan. Hij had alleen nog last van zijn schouderblad en zijn ribben als hij uitgleed of iets meesleepte dat zo zwaar was dat hij zich dreigde te forceren. Hij was gaan wennen aan het leven op de berg en was McClaren steeds meer gaan zien als een oude man die gromde, maar niet beet, een gek die onschuldig was zolang je hem niet voor de voeten liep.
Om die reden deed hij een stap opzij toen McClaren op hem afliep en nog een toen de man iets naar hem gooide. Het was een pak waarin een rugzak zat, en delen van een tent.
‘Ik dacht dat je vent genoeg was om je spullen zelf te gaan halen,’ zei McClaren. ‘Je tent is half opgevreten, maar een paar van je kleren zijn er nog. Trek ze aan en donder op. Het is vrijwel voorjaar. Er gaan mensen komen, ze zijn al in het dal. Misschien zijn het toeristen, misschien komen ze voor mij. Of voor jou. Ik heb geen behoefte aan mensen die jou komen halen. Hoe verder je weg bent hoe beter.’
Meeks keek naar de rugzak. ‘Nee.’
‘Niks nee. Wegwezen.’
‘Ik blijf,’ zei Meeks.
‘Ach,’ zei McClaren. Hij draaide zich om en liep weg.
Die avond kreeg Meeks geen vlees. McClaren deed wat hij altijd deed, maar hij gedroeg zich of hij alleen was en als hij naar Meeks keek werden zijn ogen spleetjes.
Meeks negeerde het, maar hij voelde de spanning en dacht steeds vaker aan het ‘dal achter het dal’. Hij vroeg zich af of je jezelf gevangenschap kon opleggen en of het dan nog wel zo heette.

Carlys Piek lag in de mist toen Meeks buiten de blokhut stond en zich afvroeg waarom hij al meer dan een week dacht dat er nu, vandaag, iets zou gebeuren. McClaren was grommend langs hem gelopen en in de mist opgegaan, een vogel zong, muizen ritselden op de afvalhoop achter de blokhut. In het schuurtje klonken geluiden, iets brak of werd gebroken, McClaren hoestte zijn ochtendhoest. Alles was gewoon, en tegelijk anders.
Meeks bleef staan tot hij wist dat McClaren was verdwenen, pakte de huid die hij in een hoek van de blokhut had gelegd en trok haar over zijn hoofd. Zo bleef hij staan tot de toppen van de bomen zichtbaar waren, niet helemaal, maar bij vlagen, alsof de mist rondjes maakte voor hij wilde oplossen. Als de zon doorkwam zou het een mooie dag worden. En als de onrust week, het gevoel van overbodigheid, de angst om te blijven en de angst om weg te gaan.

De schreeuw kwam voor de inslag.
Toen Meeks op de grond lag en schuin naar boven keek waar de kogel een groef in de wand van de hut had gekerfd wist hij zeker dat de schreeuw eerder had geklonken dan het schot. Een raspende schreeuw. Eentje van McClaren. Waarom de oude man had geschreeuwd was niet duidelijk, maar Meeks hoopte dat het een waarschuwingskreet was geweest en hij zag in gedachten mannen voor zich die de berg waren opgeklommen. Voor McClaren. Of voor hem.
Hij rolde naar een struik en kroop naar het schuurtje. Tussen de bomen was de mist nog aanwezig. Niemand zou hem hier kunnen raken. Hij krabbelde overeind en holde weg toen een nieuw schot klonk. Hij hoorde geen inslag, maar wel een gierend geluid. De plaats van waar werd geschoten lag ongeveer in de richting van de boom waartegen het geweer met de versplinterde kolf stond.

Het derde schot klonk toen Meeks het geweer in zijn handen had. Hij was bang dat het voor zijn borst zou ontploffen als hij vuurde, maar hij had het vast en hij putte er kracht uit.
Iemand moest hem zijn gevolgd, want het schot klonk alsof het naast Meeks werd afgevuurd. Hoe de schutter het klaar had gespeeld hem te vinden in het bos waarin dikke flarden mist hingen begreep Meeks niet en het maakte hem banger dan ooit. Hij liet zich vallen en kroop naar een spar. Voor hem klonk een schreeuw van McClaren. Nog een schreeuw. Opnieuw een schot. Dit keer hoorde Meeks de inslag.
De stilte die volgde was angstwekkend.
Meeks wist dat hij stil moest blijven liggen, maar hij bracht het niet op. Stil liggen was hetzelfde als je overgeven, een hulpeloze prooi die wacht op de jager. Hij kroop naar voren en liet zich over een rottende stam glijden. Iets kwam tegen zijn ribben en deed hem pijn. Met op elkaar geklemde tanden kroop hij verder. Voor hem klonk een geluid, misschien een mens, misschien een dier. Toen hij niet verder durfde bleef hij liggen. Hij wilde zijn ogen sluiten en slapen. Hij wilde naar de blokhut en zich verschansen. Hij wilde naar het ‘dal achter het dal’.
Hij verstijfde toen hij het geluid van een brekende tak hoorde en was ervan overtuigd dat iemand op hem afkwam. Hij dwong zich om op zijn knieën te gaan zitten en het geweer te richten. Hij schoot toen de mist leek te splijten en een gestalte gekleed in een dierenhuid zichtbaar werd. Op hetzelfde ogenblik wist hij dat hij een fout had gemaakt, wist hij wat er aan de hand was. Hij rolde zich op zijn rug en keek naar de lucht die langzaam helder werd. Dus dat was het ... Hij gromde en beloofde zichzelf dat hij zou blijven liggen tot hij werd geroepen.

Het duurde lang voor Meeks een geluid hoorde. Het was rauw en herkenbaar. ‘Komt er nog wat van?’
Minder dan honderd meter recht vooruit lag McClaren. De oude man hijgde en bij zijn mondhoeken zat speeksel. Een been lag dubbel onder hem en er zat een gat in een arm waaruit bloed druppelde. ‘Eindelijk,’ zei hij.
‘Jij schoot,’ zei Meeks.
‘Wie anders.’
‘Op mij.’
‘Over je hoofd,’ zei McClaren. ‘Ver over die kop van je. Jij schoot om te raken.’ Hij stak een hand uit en raakte de loop van het geweer. ‘Nooit gedacht dat die Schmidt-Rubin het nog zou doen. Nooit gedacht. De kolf is stuk, het vizier is ontzet. Roest in de loop. Ik had niet gedacht dat je er mee zou kunnen schieten.’
Meeks balde zijn vuisten. ‘Ik zou je hartstikke dood moeten slaan, ouwe gek.’
‘Ja,’ zei McClaren. ‘Dat zou je moeten doen, maar dat doe je niet. Mijn been klapte dubbel toen ik viel. Jij gaat takken halen om het te spalken.’
‘Waarom,’ vroeg Meeks.
‘Bij gevaarlijke zaken zijn vergissingen die voortkomen uit weekhartigheid juist de ernstigste. Ik heb het je weken geleden verteld. Ik moest weten hoe je zou reageren als je onder druk kwam te staan. Je hebt de kans gehad om te vertrekken. Als je blijft en ze komen je halen dan moet ik weten wat je kunt.’
‘Omdat dat in dat verdomde boek staat waar je elke avond in leest?’
‘Clausewitz,’ zei McClaren. ‘Carl von Clausewitz, een generaal van vroeger. ‘Over de oorlog’ heet het. Ik zal je er uit voorlezen als we thuis zijn. Je kunt er veel uit leren. Haal je nog takken of wil je zien hoe ik doodbloed?’ Hij grijnsde. ‘Doet deze situatie je ergens aan denken?’
Meeks keek naar het gebroken been. ‘Ik ga je naar de blokhut slepen in plaats van te dragen, weet je dat. Ik ga je laten schreeuwen. Ik ga je rauw vlees geven en water dat stinkt.’
McClaren legde een hand op het gat in zijn arm. ‘De harde manier, hè. We beginnen elkaar te begrijpen. Ik denk dat het wel wat wordt met ons, jongen, samen op Carlys Piek.’

(Dit verhaal over Jeff Meeks is 2007 verschenen in een Nieuwjaarsboekje voor vrienden en kennissen in een oplage van 35 exemplaren)

 

De Opdrachtgever

‘Het is de bedoeling dat ik je vermoord,’ zei Rockne Paradise. ‘Hoe kijk je daar tegenaan?’
‘Positief,’ zei Alan Hutton. ‘Je kunt beter dood zijn dan deze rotzooi drinken.’ Hij hief zijn glas en keek langs de wijn die werd gepresenteerd als excellente huiswijn. Wat hij zag was een rond gezicht van in de zestig met grijze haren die op rimpels groeiden als cipressen op heuvels, een grijze snor, een mond met smalle lippen die moeite hadden met een gebit vol brokkelige tanden, een kin met een puntbaardje, een shirt met rode en witte blokjes waarachter een stukje grauw onderhemd was te zien, een spijkerbroek met verfstrepen. De voeten waren onzichtbaar, boven de ogen die Steve McQueen-blauw waren zat een baseballpetje van Motorola.
Rockne verschoof op zijn stoel en hief een been. ‘Kijk ook maar even naar mijn schoenen.’
Zwart leer, veters, dikke zolen.
Wat Rockne zag was een donkerblauw pak en een overhemd met das, erboven een rood hoofd met zwart haar, een neus met een moedervlek op een vleugel, dikke lippen en een onderkin. In het pak zat een buik die eruit wilde. De boordpunten van het overhemd krulden, de mouwen van het jasje glommen, op de knieën was de vouw uit de broek. Rockne boog zich voorover en zag glanzend zwarte schoenen en sokken met een blokmotief waarvan de vlakjes precies boven elkaar zaten; het beste van Alan Hutton zat onderin.
‘Je lijkt niet erg op de foto,’ zei hij.
Hutton zat nog steeds naar hem te staren. ‘Welke foto.’
‘Die ik kreeg. Die van de receptie waarop je naast je vrouw staat.’
‘Margie?’
‘Met een rooie streep over je kin, of je een aardbei had gemorst.’
‘Lippenstift.’
‘Niet van je vrouw.’
Hutton bewoog zijn schouders of hij een hiklachje onderdrukte. ‘Niet van Marge, nee, niet van Marjorie. Dat van dat vermoorden, dat is toch zeker een geintje?’
‘Vond je het leuk.’
‘Ik zei: je kunt beter dood zijn dan deze rotzooi drinken en ik dacht: nou gaat-ie lachen.’
‘Omdat het leuk was?’
‘Volgens mij wel. Je lachte niet, en toen dacht ik ineens.’
Rockne knikte bemoedigend. ‘Dat ik het meende.’
‘Verdomd.’ Hutton sloeg met een vlakke hand op de tafel. ‘Dat je het meende. Vorige week zat ik hier en toen kwam ook een man naast me zitten. Hij schoof aan, net zoals jij het deed, alsof we al maanden samen in deze tent kwamen. Klein, net zoals jij, met net zo’n petje en net zo’n onderhemd met donkere plekken langs de rand. Hij zei dat hij bij de politie werkte. Op de administratie. En dat hij ze allemaal het liefst dood zou schieten. Poem poem poem. Dat zei hij en hij maakte er die beweging met een hand bij. Hij wilde iedereen doodschieten en jij mij.’
‘Misschien ligt het aan de plaats waar je zit, precies naast de deur naar het toilet, als je het eten niet vertrouwt is het de ideale plek.’
‘Ja,’ zei Hutton. ‘Misschien ligt het ... Zeg nou maar dat het een geintje was. Dat zei die man vorige week ook. Hij zei: geintje, en toen dronken we er een.’
‘Ik heb niks gezegd over schieten,’ zei Rockne. ‘Ik zei dat het de bedoeling is dat ik je vermoord. Ik weet nog steeds niet hoe je daar tegenaan kijkt.’

‘Ik werk tegenwoordig voor mezelf,’ zei Rockne. ‘Ik heb met Henry Faulk niks meer te maken.’
‘Zit er dik in,’ zei Joe Twix. ‘Henry Faulk is al jaren hartstikke dood. Ze zeggen dat hij dood in een kamer zat, met een revolver naast zich met één patroon. Dat hij liever verhongerde dan zich voor zijn kop te schieten. Dat zeggen ze.’
‘Ik werk voor mezelf,’ herhaalde Rockne.
‘Was hij niet jouw middelman, Henry Faulk?’
Rockne keek zonder te knipperen naar Twix. Slank, bruin, glad, gemanicuurde nagels, gebotoxde lippen, ingeplante haren, vanaf de dag dat hij dertig werd was Twix niet kaal meer. ‘Had je het over een opdracht?’
Twix zuchtte. ‘Vroeger ging het makkelijker. Je belde Henry Faulk of die Japanner die hij in dienst had en je zei wat je wilde. Hij regelde alles, Faulk. Ik ben nog een keer bij hem geweest. Kon ik zonder risico doen. Niks zo veilig als praten met een blinde.’
‘Ik ben niet blind.’
‘Daarom vind ik dit gesprek ook kloten. Het is dat ik niet anders kan. Doe je het of doe je het niet.’
‘Doe ik wat,’ vroeg Rockne.
Twix mompelde fuck en viel stil.
Als je het geschuifel van schoenen over de houten vloer en het gezucht van Twix niet meetelde was het lang stil. Rockne zat ontspannen, hij was gesprekken met Henry Faulk gewend, als hij moest schatten dan zou hij zeggen: vijf woorden per minuut, hooguit.
‘Je zit me te stangen,’ zei Twix toen hij zag dat Rockne zijn ogen dicht deed en zijn handen voor zijn buik vouwde. ‘Ik bied je verdomme 10.000 en in plaats van dat je dank je, meneer Twix zegt zit je me te stangen.’
‘Doe ik wat,’ zei Rockne.
Twix balde zijn vuisten. De aderen in zijn nek waren gezwollen en hij hijgde terwijl hij sprak. ‘Is het omdat je bang bent dat ik dit gesprek laat opnemen?’
‘Doe je dat? Opnemen?’
‘Alsof ik mezelf op een bandje wil hebben. Deze kamer is geluidsproef. Ik heb gezien hoe Faulk de zaak had ingericht, maar dit is beter. Over een half uur zal ik zeggen dat ik je niet ken. Nooit gesproken, nooit gezien. Nou goed?’
‘Tienduizend is voor een beginner,’ zei Rockne. ‘Voor tienduizend verdrink ik je kanarie. Of je hamster.’
Joe Twix pakte geld uit zijn binnenzak en telde. ‘Honderd van honderd, oké. Als je je werk hebt gedaan nog zo’n portie. Maak je niet druk om mijn hamster, die heb ik zelf al verzopen. Maak je druk om Alan Hutton. Hij eet elke woensdagavond in Joe’s Diner, hier in de stad. Elke avond aan hetzelfde tafeltje. Hij wordt op dezelfde manier dronken en rijdt op dezelfde manier naar de Day’s Inn. Daar zit-ie sinds zijn vrouw hem niet meer in huis wil hebben.’
‘Wil zijn vrouw hem dood?’
Er kwam verandering in het gezicht van Twix, het kostte de spieren moeite, maar ze zagen kans beweging in het voorhoofd te krijgen. De ogen zouden spleetjes zijn geworden als de chirurg meer speling had gegeven. ‘Vraag je dat echt? Of zijn vrouw hem dood wil? Ik dacht dat jij een beroeps was. Ik wil hem dood, oké.’
‘Oké,’ zei Rockne. Hij veegde het geld naar zich toe en stond op. Hij had de pest in. Je vraagt niet wie de opdrachtgever is, je neemt een opdracht aan of wijst haar af.
‘Aan Henry Faulk zou je het niet hebben gevraagd,’ zei Twix toen Rockne bij de deur stond. ‘Ik weet zeker dat je aan Faulk nooit zo’n vraag zou hebben gesteld.’
Toen was Rockne Paradise echt pissig.

Je bent eigen baas. Je hoeft niet te luisteren naar een zakkenwasser als Joe Twix. Tienduizend is een fooi. Ik zal laten zien hoe erg ik eigen baas ben.
Dat zei Rockne Paradise tegen zichzelf terwijl hij in zijn huurauto zat te wachten tot Alan Hutton zijn kantoor uitkwam, tot Hutton uitgekeken was op de vrouwen in de Top Nude Bar achter het vliegveld, tot Hutton genoeg had van het rondjes rijden, tot Hutton zijn maaltijd in Joe’s Diner had beëindigd en naar de Day’s Inn ging.
Je bent eigen baas. Je hoeft niet ...
Hij zou het anders aanpakken dan zakkenwasser Twix verwachtte beloofde Rockne zichzelf. Hij was 61, hij was eigen baas, hij hoefde niets meer uit te leggen aan zijn vrouw die op de Bahama’s was achtergebleven en al helemaal niets aan zijn zoons die het best vonden dat pa een keer per kwartaal belde, als het maar niet te lang duurde. Hij hoefde helemaal niets.
Dus keek hij wat Alan Hutton uitvoerde, ging hij Joe’s Diner binnen toen hij vond dat de tijd rijp was en vroeg hij belangstellend hoe Hutton aankeek tegen het idee om vermoord te worden.

‘Hoe dan?’ vroeg Hutton. ‘Ik bedoel: als je niet van plan bent te schieten, hoe dan?’
Rockne keek naar de trillende vingers, de doffe ogen, de krulpuntjes van de boord.
‘Zal ik je vertellen,’ zei Rockne. ‘Kom eerst maar tot rust. Het is nog niet zo ver, nog lang niet.’
‘Lang niet. Láng?’
‘Vertel es wat je overdag allemaal uitvoert. In dat kantoor van je. Ik heb nooit begrepen wat een adviseur doet.’
‘Consulent.’
‘Wat een consulent doet. Wat consuleer je nou op een gemiddelde dag?’
Het antwoord moest zijn: weinig. Of: veel voor het raam staan. Of: wachten tot het tijd is voor de Top Nude Bar.
‘Ik vertel mensen hoe ze hun geld moeten investeren. Niet via de beurs, maar via bedrijven waar ik banden mee heb. Jij denkt dat het grote geld via banken gaat, dat denkt iedereen, maar in werkelijkheid ...’
Zo ging het een tijdje door. Hutton sprak over miljoenen, over een uurloon van 300 dollar, over klanten die in de luwte wilden blijven, en al die tijd frunnikte hij aan manchetten met een randje vuil, of trok hij zijn das nog wat verder naar beneden waardoor Rockne zag dat het bovenste knoopje van het overhemd ontbrak.
‘Dus je sterft van het geld,’ vatte Rockne samen.
Hutton ging meteen achteruit zitten, handen afwerend voor zijn borst. ‘Nou, sterreft.’
‘Oké. Doe ik het anders. Dus je kunt goed luisteren. Ik bedoel: er komt een miljonair die in de luwte wil blijven en die vertelt dat hij zijn geld wil wegzetten. Dan luister je.’
‘Ik heb wel wat geld,’ zei Hutton, ‘laten we elkaar niet verkeerd begrijpen. Wel wat geld, maar dat ik ervan sterf ...’
Rockne had de neiging de das van Hutton te grijpen en de man over de tafel te trekken, over de afgekloven spareribs, over de broccoli die naast het bord lag, over de wijnvlekken op het witte kleed, over alles en dan met een smak op de vloer. ‘Hoor je verdomme wat ik zeg? Ik vroeg of je kunt luisteren. Echt goed luisteren.’
‘Ja,’ zei Hutton.
‘Luister dan. Ik zeg: het is de bedoeling dat ik je vermoord. Jij luistert goed dus wat denk je nu? Ik zal je helpen: om welk woord draait het?’
‘Bedoeling?’ Hutton fluisterde zo zacht dat hij nauwelijks boven het geroezemoes uitkwam.
Rockne ging verzitten. Waarom had dit soort tenten altijd stoelen waar je een natte kont van kreeg? ‘Nou komen we ergens. Wiens bedoeling.’
‘Niet jouw bedoeling?’ Er klonk hoop in Huttons stem en iets van: dus het was toch allemaal een geintje.
‘Hèhè,’ zei Rockne. ‘Het is eruit. We gaan de goeie kant op. Als je eens afrekende? Blijf wel in het zicht en ga geen verhalen verzinnen. Ik zie liever geen zenuwachtige caissière.’

Rond Market Place kon je lopen zonder dat iemand op je lette. Rockne had een voorkeur voor de Boston Common, maar Hutton wilde mensen om zich heen.
‘Geen punt,’ zei Rockne toen Hutton zijn armen gebruikte om zijn woorden kracht bij te zetten. ‘Geen punt, als je maar ophoudt met dat gewapper.’ Hij trok de paraplu naar beneden tot het scherm op zijn Motorola-petje rustte. Dat was het mooie van Boston, het miezerde elke dag, niemand keek naar een paraplu.
Chatham, Commercial, Clinton, dat waren de straten waar Hutton zich betrekkelijk veilig voelde, je kon het horen aan zijn ademhaling, aan het geluid van zijn hakken op het trottoir. Chatham, Commercial, Clinton, en terug. En weer heen. Langs de stalletjes, de fast food restaurants en de T-shirts, terwijl druppels op de paraplu tikten en Rockne ongeduldig werd. Wat was hij hier verdomme aan het doen?
‘Wat denk je dat we verdomme aan het doen zijn,’ vroeg hij toen Hutton zich had omgedraaid en weer richting Commercial liep. ‘Net zo lang heen en weer lopen tot we opvallen?’
‘Sorry,’ zei Hutton en het klonk of hij het meende. Hij liep naast de paraplu. Regen droop op zijn jas, hij zag er verward uit toen hij zich voorover boog en Rockne aankeek, ongelukkig, onzeker. ‘Ik snap het allemaal niet zo goed. Ik loop hier, naast jou, alsof ...’ Hij zocht naar woorden en wat Rockne vermoedde bleek waar: hij kon ze niet vinden. Hoe kon zo’n ei consulent zijn?
‘Raar,’ zei Hutton eindelijk. ‘Dat is het woord. Raar.’ Hij keek om zich heen. ‘Bij elke eetgelegenheid denk ik: nou springt er een meisje te voorschijn in zo’n strak shirt met grote letters dat roept dat ik in een candid-cameraprogramma zit.’ Hij greep Rockne bij zijn jas. ‘Is dat het? Worden we opgenomen?’
‘Als je niet direct los laat dan werk ik de zaak hier af. Midden op Commercial Street, in de regen.’
Hutton liet los. ‘Omdat het echt is?’
Zo traag zag Rockne ze niet vaak. Wie het ook was die van Alan Hutton afwilde, hij verdiende sympathie. ‘Wie wil van je af?’
‘Af? Hoe bedoel je?’
‘Dood. Onder de zoden. In de kist. Op een gasbrander. Duidelijker lukt niet.’ Voor alle zekerheid maakte Rockne wurgbewegingen met zijn handen. Hij hield er mee op toen hij de paraplu weg voelde glijden. ‘Dood. Wat begrijp je er niet aan? Wie heeft geld voor je over?’
Dat woord begreep Hutton wel, geld. ‘Hoeveel. Wat ben ik waard?’
‘Te weinig.’
‘Dus daarom vertelde je dat, in Joe’s Diner. Ik dacht al: een moordenaar gaat toch zeker niemand vertellen wat-ie van plan is? Dat werkt, hoe zal ik het noemen ...’
‘Contraproductief?’
‘Dat is het. Daarom dacht ik dat je een geintje maakte, en dat we werden gefilmd. Ik bedoel ...’ Huttons stem werd vaster. Hij begon greep op de situatie te krijgen. ‘Je wilt meer geld.’
Rockne bleef stil staan en wachtte tot hij Huttons volle aandacht had. ‘Hoever is het van hier naar de Inner Harbor? Minuutje of tien lopen?’
‘Waar het aquarium is?’
‘Waar water is om je te verzuipen. Hoe ver?’
‘O,’ zei Hutton. ‘Marjorie heeft de pest aan me. Ze betaalt elke maand 1000 dollar. Vorige maand was ze te laat en toen heb ik gezegd dat ik een advocaat ... Bedoel je dat?’
Rockne trok de paraplu tegen zijn hoofd en liep verder. ‘Dat is wat ik bedoel. Geef gewoon antwoord en we laten de haven zitten. Dus jij betaalt geen alimentatie, jij krijgt het.’
‘Omdat ze rijk is, Marjorie. Enig kind, dochter van die zak die op de reclames staat als je van het vliegveld naar het centrum rijdt. Die met die bolle wangen en die hoed op zijn achterhoofd. Cornelius’ Cars, You Want ’M. Hij is de grootste autoimporteur van de stad. Toen we getrouwd waren kreeg ik elk jaar een nieuwe BMW.’
‘En nou heb je een oude Suzuki Aerio.’
‘Dus dat weet je al.’
‘Ga er maar vanuit dat ik meer van je weet dan je prettig vindt. Kun je dat? Daar vanuit gaan? Dat houdt de vaart in het gesprek. Dus Marjorie kan jou missen.’
‘Anders haar vader wel. Hij wilde dat ik in de zaak kwam. In het begin, tenminste. Toen ik ja zei hield hij de boot af. Toen waren we nog dik, ik en Marjorie, dus daar zat het ’m niet in.’
Rockne had een vermoeden waarom Cornelius zijn schoonzoon bij nader inzien liever niet in de zaak had. ‘Zijn dat ze, Marjorie en haar vader, of zijn er meer gegadigden?’
‘Die me dood willen?’
Rockne zuchtte. Even naar de haven, wachten tot het rustig was, Hutton uit de samenleving verwijderen, als hij het goed aanpakte zouden er mensen blij worden, wie zou iemand als Hutton missen.
‘Klanten. Zakenrelaties. Barkeepers die nog geld van je krijgen. Zeg het maar.’
Ze moesten twee keer heen en weer voor Hutton zei dat hij er echt niet meer wist. Elf, of twaalf, meer echt niet, eerlijk niet, en een dozijn was niet veel als je consulent was, Hutton kende er die elke week een advocaat aan de deur hadden, of een deurwaarder.
Ze waren op Clinton toen Rockne zei: ‘Schrijf de namen een keer voor me op en maak meteen een top-3. Als er een bij is die jou graag snel dood wil laat het dan weten. Heb je geld achter de hand?’
‘Voor jou?’
‘Onthoud dat goed. Voor mij. Als het genoeg is vergeet ik misschien dat je bestaat.’
‘Omdat ...’
‘Hoeveel zei je?’
‘Vijfduizend?’ Het klonk alsof Hutton bereid was te onderhandelen.
‘Waar zei je dat de haven was?’
‘Tienduizend?’
Rockne wees. ‘Die kant op?’
‘Twintig?’
‘Ik weet een aardige plek in het Columbus Waterloo Park waar je zo het water in kunt lopen. Hoef ik niet te slepen.’
‘Vijfentwintig. Meer heb ik niet. Echt niet, en dan moet ik er de juwelen van Marjorie voor verkopen.’
‘Die je achterover hebt gedrukt?’
‘Ze heeft me het huis uitgegooid. Haar vader stond erbij, en een paar van die grote jongens. Ik had bijna geen tijd om te pakken, ik heb zo maar wat gegrepen.’
‘Onderbroeken, je beste pak en je vrouws juwelen? Precies de keuze die ik ook zou maken. Heb je de Day’s Inn zelf uitgezocht of heeft Cornelius gezegd dat je daar terecht kon?’
‘Hij heeft gezorgd dat ik er korting krijg. Hij kent de manager, geloof ik.’ Hutton zuchtte. ‘Hij kent iedereen, dus het maakt niet uit waar ik zit.’
‘Wel eens nagedacht over Chicago? Of Los Angeles?’
‘Ja,’ zei Hutton. ‘Vaak. Ik ga er beslist een keer naartoe.’
‘Wacht nog maar even. Ga niet vanavond, want dan moet ik je zoeken. Als ik morgen 25.000 krijg en de naam van degene die mij heeft laten sturen dan zit je goed.’
‘En anders?’
‘Heb je een probleem. Als ik de verkeerde aanpak krijg ik ruzie met mijn opdrachtgever en dan kom ik bij je terug.’

Rockne zat een hekel aan zichzelf te hebben op de achterbank van zijn huur-Buick, een grijze Century met bijna voldoende ruimte om zich te verkleden. Hij gromde toen hij de snor en de voorzettanden had weggetrokken, huiverde toen hij de lucht rook van de gel waarmee hij zijn puntbaardje tegen zijn kin had gestreken en keek somber naar zijn blauwe ogen, de lenzen waren altijd een ellende, de kans dat hij ze allebei in het doosje kreeg was precies vijftig procent. Hij voelde zich niet lekker. Het klopte niet wat hij aan het doen was. Hij wist het, en hij wist ook dat hij er niets tegen kon doen. Hij had dat gevoel nou eenmaal, van het moet een keer anders. Bijna veertig jaar zat hij in het vak en zijn staat van dienst was onberispelijk. Hij kreeg een opdracht, hij keek hoe ze het best kon worden uitgevoerd, hij deed zijn werk en hij ging naar huis. Zolang er een huis was. En zolang Henry Faulk de zaken voor hem regelde. Na Henry’s dood en zijn terugkeer uit het buitenland was hij voor zichzelf begonnen. Beunen, noemde hij het. Het was niet het echte werk, niet iets op reguliere basis, het was aanklooien. Hij werd gebeld door iemand die hem kende of die hem viavia kende. Hij maakte een afspraak en hij zei dat hij zou zien. Of ze het afgesproken bedrag alvast wilden overmaken naar een bank op de Cayman Islands, biljetten in het handje mocht ook. Daarna deed hij wat hij doen moest, precies zoals altijd: rustig en solide. Tot Joe Twix hem uitlachte en ik dacht dat jij een beroeps was zei op een toon waar Rockne nog steeds kwaad om was. Oké, hij had niet moeten vragen wie de opdrachtgever was, dat doe je niet, maar het toontje van Twix, de manier waarop die zakkenwasser met zijn kunsthaar naar hem had gekeken ...
Je wordt oud, dacht Rockne. Je verliest je greep op het vak. Na veertig jaar moet je niet veranderen. Hij wurmde zich uit zijn kleren en trok een wit overhemd aan, een zwarte broek, zwarte sokken, zwarte schoenen. De das liet hij nog even los om zijn hals hangen en het brilletje met het zilveren montuur zette hij op de punt van zijn neus. Het was fout wat hij deed, maar hij zou doorgaan. Omdat hij er een soort plezier aan beleefde dat hij niet kon omschrijven. Het had te maken met contact. Hij had gesproken met Hutton en hij zou spreken met degene die Hutton zou aanwijzen als de man of vrouw die zijn dood wilde. Hij zou zich verkleden, hij zou praten, hij zou wandelingetjes maken in de regen, hij zou ...
Er zijn, dacht Rockne. Bestaan. Leven.
Hij sprak de woorden hardop en schudde het hoofd. Het zat anders, maar hij was er bijna. ‘Of hoop ik dat ze me pakken?’ Hij vroeg het aan zichzelf terwijl hij in de achteruitkijkspiegel keek. Ernstige ogen keken terug. Dat was het dus niet.
‘Misschien ben je gewoon een sadistische, ouwe zak,’ zei Rockne. ‘Ik begrijp niet dat je daar nooit eerder aan hebt gedacht.’

Alan Huttons top-3 bestond uit twee namen. Marjorie en Cornelius. Al de anderen telden niet. ‘Niet echt,’ zei hij, terwijl hij in Papa Razzi om zich heen keek alsof hij nog nooit een eetgelegenheid in de buurt van Copley Square en Commonwealth Avenue Mall had gezien. ‘Het moet Marjorie zijn. Of haar vader. Allebei? Ze heeft ons huis verkocht en woont nu op Beacon Hill, dus ...’ Het klonk smekend, alsof hij hoopte dat Rockne iets aardigs zou zeggen, tjongejonge was al genoeg.
Ze aten iets waar vis in zat en Rockne bedacht dat hij Hutton nooit had moeten laten kiezen. Betalen, ja, maar niet kiezen. Hij had ook nooit Papa Razzi binnen moeten gaan, een tent met zo’n naam, wat kon het nou zijn.
Ze hadden afgesproken bij Cafe de Paris aan Arlington Street, vlak bij Rockne’s hotel. Hij had er in een paar minuten van het Park Plaza naartoe kunnen lopen, maar hij had zich moeten verkleden in de Buick en pas in het industriegebied van South End had hij een rustige plek gevonden. Terug in het centrum had hij zijn auto niet kwijt gekund, probeer maar eens iets te vinden in Boston. Hij had de pest in gehad toen hij eindelijk bij Cafe de Paris was en schuin links de lichten van het Park Plaza zag. Het enige voordeel van het hotel was dat Hutton nooit zou bedenken dat hij daar zat. Huurmoordenaars huizen in achterafmotelletjes, niet in een vier sterren hotel met de prijs van vijf.
Door het raam had Rockne Hutton zien zitten, meer dan een uur lang. Toen Hutton naar buiten kwam keek hij onzeker om zich heen, zijn eerste passen waren wankel, stuurloos.
Rockne ving hem op in de Public Garden, snauwde dat hij richting Boylston moest lopen en wandelde het park in. Hutton liep als een man die vaak geslagen wordt, krom, opgetrokken schouders, armen stijf tegen het lichaam. Bij Darthmouth Street vond Rockne het mooi geweest. Hij tikte Hutton aan en wees naar Papa Razzi. ‘Naar binnen.’
Daar zaten ze nou, achter iets met vis en geen van beide relaxed. Rockne verzekerde zichzelf dat hij vooral niet hardop iets over de vis moest zeggen, Hutton hield pas op met staren toen hij de moed had te zeggen wat hem dwars zat. ‘Heb je iets met je oog?’
Links zat Steve McQueen, maar de tweede lens was zoek en Rockne had rechts Paul Newman ingedaan. Hij dacht dat niemand het verschil zou zien. De snor voelde vreemd aan, de lijm was niet goed of het ding zat scheef. ‘Lijstje.’ Hij snauwde. ‘Of beter: begin maar met het geld.’
‘Hier?’ Hutton was afgeleid. ‘Zo maar?’
Rockne stak een hand uit. ‘Wat denk je dat het is. Een misdaadfilm? Geef op.’
‘Vijfentwintig.’ Hutton fluisterde, hij had ontzag voor geld.
‘Hoe zit het met je lijstje?’
‘Marjorie. Of haar vader.’
Een kwartier later zei hij het opnieuw en buiten, in de miezer, nog eens: ‘Marjorie, en Cornelius.’
‘Laten we het hopen,’ zei Rockne. ‘Loop die kant maar op.’
‘En dan?’
‘Niks. Bemoei je nergens mee dan komt alles goed.’
‘Ja,’ zei Hutton op de toon van zal wel. Hij keek drie keer om voor hij het stukje naar Boylston had afgelegd.
Toen Hutton de hoek om was nam een windvlaag Rockne’s snor mee.
Rockne vond het een slecht teken.

‘Wat is er nu precies zo dringend, meneer Challenger?’
‘Kevin,’ zei Rockne. Hij had de naam uit de USA Today van die ochtend. Klonk goed, Kevin Challenger.
‘Wat is er dringend, Kevin?’
Marjorie Cornelius keek of ze eindelijk wilde weten met wie ze was meegegaan. Wat ze zag was een man die eerder in de vijftig leek dan in de zestig, met zware wenkbrauwen, een neus die iets te dik was en verstopt moest zitten, hoe kwam je anders aan zo’n nasale stem, een zijden sjaal die boven een donkerblauwe, lange jas uitstak, een broek met precies de goede modieuze omslag en schoenen waar je je in kon spiegelen. Ze was benieuwd of hij het hoge voorhoofd had dat ze verwachtte, maar de hoed zat in de weg. Als ze aan elkaar gewend waren zou ze vragen wat meneer Kevin Challenger na het scheren op zijn wangen smeerde of spoot, voorlopig hield ze liever afstand.
Rockne zag een vrouw die hoopte dat ze halfweg dertig zou lijken met een paarse spoeling, te veel opmaak, te veel ringen en een jas, kousen en schoenen die er zo eenvoudig uitzagen dat ze duur moesten zijn. Ze was te mager, vond Rockne, maar mager moest dit jaar, op de televisie had een gezette man het een paar dagen geleden uitgelegd. Mager en eenvoud, maar wel met juwelen. Marjorie had nijdig gekeken toen Rockne haar had aangesproken met mevrouw Hutton en Cornelius zult u bedoelen gezegd, op de manier waarop een dame bijna snauwt.
Ze was meegelopen tot de Frog Pond in de Boston Common, maar had geweigerd te gaan zitten. Toen Rockne goed keek zag hij dat er een paar druppels aan het bankje hingen en mogelijk zat, bijna bij de hoek, een zwarte vlek.
‘Ik heb gehoord ... Ik ben blij dat u toch gekomen bent, mevrouw Cornelius, dat u zich hebt laten overtuigen.’
‘Jaja.’ Zo zou ze praten tegen bedienden: jaja, schiet een beetje op.
‘Ik heb reden om aan te nemen dat uw leven in gevaar is, mevrouw Cornelius.’
Ze bewoog haar armen, niet van schrik, maar omdat ze aan de beurt waren. Armen, bovenlichaam, hoofd, benen, alles aan Marjorie leek een beetje los te zitten. ‘Omdat?’
‘Geen idee, mevrouw. De redenen gaan me niet aan. Uw dood ook niet, eerlijk gezegd, maar ik voelde het als mijn plicht ...’
Het woord dood kwam aan, ze bewoog nu ook haar voorhoofd, neus, wangen, kin, Rockne had nooit geweten dat een hoofd zoveel werkzame spieren had. ‘Dood?’
‘Er is 25.000 dollar, hoe noemen ze dat in boeken, op uw hoofd gezet, mevrouw Cornelius.’
‘Door wie. Alan?’
‘Wie is dat, mevrouw Cornelius,’ zei Rockne.
‘Mijn man. Ex-man. De man die ik elke maand 1000 dollar betaal, maar die daar niet genoeg aan heeft. Die?’
‘Ik zou het niet weten, ik ken uw ex-man niet. Waarom zou hij u willen laten vermoorden als hij geld van u krijgt?’
Omdat ze niemand anders wist te verzinnen, daar kwam het op neer. Ze had geen vijanden, dat wist ze zeker. Ze was de dochter van een man die vijanden had, maar zij ... Toen ze zover was kwam ze tot rust. ‘Wil iemand mij ... dood ... omdat mijn vader ... nee. Of toch?’
‘Hoe zit het precies tussen u en uw vader?’ vroeg Rockne. ‘Hoe goed kent u elkaar?’
Ze legde een hand tegen haar keel. Grotere ogen kon niemand hebben. ‘Wilt u zeggen ... Suggereert u ...’
‘Nee,’ zei Rockne. ‘Ik weet niks. Van niemand. Ik wilde u een dienst bewijzen, dat is alles. Denk maar eens na over wat ik heb gezegd. Ik bel nog wel.’
Ze greep zijn arm. ‘Wanneer.’
‘Als ik denk dat u er achter bent hoeveel het u waard is om in leven te blijven. Vertrouw niet te veel op uw vader, dat is alles wat ik u zeg. Dag, mevrouw Cornelius.’
Toen hij omkeek zag hij dat ze nog precies zo stond als een halve minuut tevoren, maar toch wist hij zeker dat alles aan haar bewoog.

Op Logan Airport belde Rockne Cornelius Cars Corporation. Voor hij was doorgedrongen tot de secretaresse wist hij dat hij een andere naam had moeten kiezen. In Jamie Silva zat geen overredingskracht.
‘Hebt u een afspraak?’
‘Ik wil de baas spreken.’
‘Hebt u een afspraak met meneer Cornelius?’
Rockne hoorde dat het antwoord er niet toe zou doen. ‘Is het mijn naam?’
‘Pardon?’
‘Of het verdomme mijn naam is dat je zo moeilijk doet.’
Vloeken is niet verstandig bij onwillige secretaresses.
‘Ik ga de verbinding verbreken, meneer Silva.’
‘Zou ik niet doen.’
‘Goedendag, meneer Silva.’
Rockne maakte een rondje door de aankomsthal en zocht een andere telefoon.
‘Als je weer oplegt heb je een probleem.’
‘Is het echt, meneer, hoe was uw naam ook weer, Silva?’
Ze had een geheugen voor stemmen, dat moest Rockne toegeven. Hoewel, hoeveel mensen kreeg ze op een dag aan de lijn die watten in hun neus hadden, hij had ze er uit moeten halen na het gesprek met Marjorie, gek dat je zulke dingen vergat. ‘Een probleem dat groter is dan je aankunt.’
‘Ik kan elk probleem aan, meneer Silva. Daarvoor zit ik hier.’
‘Vertel dan maar es hoe je het probleem overlijden aanpakt.’
Toen was het even stil.
‘Is dat een bedreiging, meneer Silva?’
‘Om de donder niet.’ Om de dooie dood was ook goed geweest, bedacht Rockne, iets te gemakkelijk, maar bruikbaar. ‘Als je me niet als de sodemieter met Cornelius doorverbindt haal je de avond niet.’
Langere stilte. Een klikje. Ze zette een opnameapparaat aan. Daarom had hij de watjes laten zitten, wat was hij goed.
‘Alleen omdat het me niet is toegestaan u door te verbinden als u geen afspraak heeft wilt u me iets aandoen, meneer Silva?’
Ze was tijd aan het rekken, hij hoorde het aan de stem, waarschijnlijk stonden er drie mensen mee te luisteren, beste kans dat iemand Cornelius had gewaarschuwd.
‘Geef me die vent nou maar, degene die in je nek staat te hijgen.’
‘Klopt.’ Cornelius klonk ruw, strak, daadkrachtig. ‘Behalve dat ik niet hijg als er een idioot opbelt.’
‘Dat komt nog wel, maak je geen zorgen. Als je niet wilt dat iemand ons gesprek hoort stuur ze dan de kamer uit.’
‘Vertel het maar.’
‘Oké. Er zit iemand achter je aan.’
‘Ach.’
‘Ik zal het anders zeggen: iemand vindt je 25.000 waard.’
‘Mijn accountant had het gisteren over ruim 100 miljoen.’ Gelach op de achtergrond. De baas rekende af met een gestoorde Silva, wat was hij toch geweldig.
‘Ik vind het ook te weinig, maar zo zit het nou eenmaal. Je redt het niet tot het einde van de week.’
‘Juist.’ De kracht was van de stem af. Ver op de achtergrond klonken bevelen, toen Rockne de hoorn hard tegen zijn oor drukte hoorde hij het geluid van hakken, van een deur die dichtsloeg.
‘We zijn onder ons,’ zei Cornelius. Een fractie van de kracht was terug. ‘Wat ister nou eigenlijk aan de hand.’
‘Geen idee. Iemand wil je dood. Ik hoorde het bij toeval en ik kom je waarschuwen. Ik dacht: misschien vindt meneer Cornelius het wel aardig als hij wordt gewaarschuwd. Misschien vindt hij dat wel een bedragje waard.’
‘Hoe zei je dat je heette? Silva?’
‘Ik denk aan 25.000. De een wil je voor 25.000 dood, ik wil dat je voor dat bedrag blijft leven.’
‘Hoe kom ik erachter of je de zaak staat te belazeren?’
‘Dat weet je als je de kogel voelt, of het mes. Dan denk je: verrek, meneer Silva had toch gelijk, en dan ben je zomaar dood.’
‘Weet je hoe vaak ik ben bedreigd?’
Het ging de goede kant op, als ze zo begonnen was je er bijna. ‘Honderdduizend keer, alleen is dit geen bedreiging. Dit is een zekerheid.’
‘Dat weet u omdat u iets hebt gehoord?’
Als ze beleefder worden ben je waar je wezen wilt. ‘Precies. En omdat ik je persoonlijk doodschiet als je niet betaalt. Jou, of je dochter, weet je dat ik de zenuwen krijg van de manier waarop alles aan haar beweegt?’
Cornelius nam de tijd om na te denken, maar Rockne hoorde aan zijn ademhaling dat hij er niet uitkwam. ‘Ik zal je uitleggen hoe het zit,’ zei hij. ‘Een collega kreeg de opdracht en dat bevalt me niet. Er is veel concurrentie in ons vak en ik heb onkosten. De schoorsteen moet roken.’
Cornelius deed of hij moest lachen, het klonk als een keelaandoening. ‘Jaloezie dus, gewoon jaloezie.’
‘Daardoor blijf je leven. Ik zal je het nummer geven van mijn rekening. Trek het na als je wilt, het is een bank op de Cayman Islands. Ik zal proberen mijn collega een paar dagen van je af te houden, maar blijf voor alle zekerheid binnen. Staat er overmorgen niets op de rekening dan kom ik achter je aan.’

Het was geen doen in je eentje, dat wist Rockne dus hij ging er vanuit dat hij fout kon zitten, maar voor zover hij het kon bekijken bleef Alan Hutton in zijn kamer in de Day’s Inn, kwam de auto van Marjorie geen meter van zijn plaats en had Cornelius zoveel lijfwachten ingehuurd dat hij als het ware opging in de massa.
Op zijn rekening op de Cayman Islands werd geen bedrag bijgeschreven, maar dat had hij ook niet verwacht. Cornelius zou het geld liever uitgeven aan bewakers en hij zou zijn dochter hebben verboden op het verzoek van Kevin Challenger in te gaan. Het was maar goed dat er sukkels als Alan Hutton op de wereld waren anders zou hij een probleem krijgen met het betalen van zijn rekeningen. Het Park Plaza had de tarieven verhoogd omdat er een congres in de stad was, Rockne begreep niet waarom hij nog nooit achter een hotelmanager aan was gestuurd.
Op de vierde dag na zijn gesprek met Marjorie en Cornelius nam hij contact op met Joe Twix.
‘Wat is er verdomme aan de hand? Hutton komt zijn motel niet uit. Hij at elke woensdag in Joe’s Diner, maar gisteren was hij er niet. Op zijn kantoor ook niet. Nergens.’
‘Heb ik gehoord, van die tent,’ zei Joe Twix. ‘Ik dacht dat je eindelijk je werk had gedaan. Je gaat straks niet komen met een onkostenrekening, ik zeg het maar alvast.’
‘Wat is er gebeurd met Hutton, dat is wat ik weten wil.’
‘Kan me niet verdommen wat er met hem is gebeurd. Ik ken de vent niet eens.’
‘Er gaan verhalen over zijn ex-schoonvader, weet je dat wel of heb je de hele week in je jacuzzi gelegen met je kop onder de bubbels.’
‘Weet je wat ik ga doen als ik je tegenkom?’ vroeg Joe Twix.
‘In je broek. Dat ga je doen. Heel erg in je broek. Ik begin genoeg te krijgen van deze stad. Ik heb het gevoel dat ik meer had moeten weten dan je me hebt verteld en dat zit me niet lekker.’
‘Wat ga je er aan doen?’ vroeg Joe Twix en het klonk belangstellend.
‘Daar ga ik over nadenken,’ zei Rockne. ‘Je hoort van me.’
De rest van de dag bracht hij door met piekeren. Het ging niet goed met zijn plan en hij had er niet aan moeten beginnen. Nooit je tactiek veranderen, niet na veertig jaar. Het was vragen om moeilijkheden. Hij had bij de eerste ontmoeting tegen Joe Twix moeten zeggen dat hij dood kon vallen, of Alan Hutton moeten neerschieten, gif voeren, verdrinken in de Charles River. Hard boe roepen was waarschijnlijk voldoende geweest. Het zachte ei wist niet eens wie hem dood wilde. Niet Cornelius, niet Marjorie. Ze zouden Twix hebben verteld dat er iets mis aan het gaan was en Twix zou Rockne hebben gevraagd wat hij aan het uitspoken was, hij was niet iemand die zijn gevoelens opkropte.
Het beste wat hij kon doen was alsnog afrekenen met Hutton en naar huis gaan, naar zijn woning aan Chesapeake Bay en uitkijken over het water dat een andere kleur had dan het water in Massachusetts, vuiler, maar vertrouwder. Hij zou het gedaan hebben als Joe Twix die opmerking niet had gemaakt. ‘Je vraagt niet wie je opdrachtgever is.’ De toon van dat opneukertje, die blik, hij mocht doodvallen als hij zou doen wat Twix verwachtte. Niet gaan twijfelen, dat was nu belangrijk. Als je vast zat dan deed je gewoon een poosje niets, dan ging je op je krent zitten en wachtte je tot het tij keerde. Net zoals toen bij Ross Dickerson in Texas, bij Rufus B. Alexander in Oklahoma en bij Darren McFadden in Kentucky. Met McFadden was hij het langst bezig geweest. Weken had hij in die kuil gezeten met zijn hoofd tussen het gras dat ze poa noemden en waar ze van die zenuwenmuziek over maakten met een banjo en een fiddle, sinds Kentucky kon hij slecht tegen bluegrass. Vijftien mijl buiten Lexington had hij dag in dag uit naar een stoeterij gekeken waar McFadden eigenaar van was. De man was thuis, Henry Faulk vertelde het elke keer als Rockne belde, hij was thuis, maar waarom kwam hij niet buiten?
Elke ochtend kwam een groep giebelmeiden de stallen schoonmaken, als ze klaar waren maakten ze een rondje op de paarden, daarna borstelen, wassen en opnieuw de zaak schoonmaken. ’s Middags werd het hele programma nog een keer afgewerkt. Rockne zag het gebeuren en het enige wat hij ervan leerde was dat je veel stront moest scheppen als je paarden had. Het had bijna een maand geduurd voor hij zich afvroeg waarom er elke ochtend acht meiden het erf opkwamen en er negen op paarden klommen. McFadden had geen kinderen, waar kwam die negende griet vandaan?
Een week later had hij het antwoord. McFadden, pruik op, jurk aan, was nummer negen. Rockne had hem elke dag gezien, maar niet herkend, het had lang geduurd voor hij daar om kon lachen. McFadden was gevonden in een niet erg diepe kuil met een dood paard op zijn buik. Henry Faulk had er een opmerking over gemaakt. Of het niet subtieler had gekund. ‘Topjockey geplet door favoriete paard’, had de krantenkop geluid. Rockne zei dat hij het behoorlijk subtiel vond en had om meer waardering gevraagd. ‘Probeer jij maar es een halfdood paard op een vent te krijgen die tegenspartelt.’

Het duurde meer dan een week voor Rockne de auto van Marjorie op een andere plaats zag staan en voor het aantal mannen dat zich rond Cornelius verdrong afnam. Het leven begon zijn vertrouwde loop te nemen, het was geen dag te vroeg.
Omdat Rockne niet uitsloot dat hij Alan Hutton nog een keer wilde vragen wie zijn vijanden waren liet hij zijn baardharen groeien en had hij altijd zijn snor, zijn lenzen en zijn Motorola-petje bij zich. Op woensdagavond zat hij in de Century de hele avond te staren naar Joe’s Diner. Geen Hutton. Voor alle zekerheid donderdag opnieuw. Geen Hutton. Vrijdag: geen Hutton.
Zaterdag: Marjorie Cornelius in vol ornaat, hogehakschoenen, zwierige cape, opgestoken haar, vingers vol ringen. Ze bleef voor ze binnenstapte een ogenblik roerloos staan. Rockne verwachtte een pirouette om iedereen te laten zien hoe mooi ze was, maar het bleef bij een kwartslag links en een kwartslag rechts.
Marjorie in Joe’s Diner, en ze wilde het weten.
Rockne zag haar zitten voor het raam, praten met de vrouw die haar bediende, lachen, een arm bewegen die vol zat met fonkeldingen, opstaan, uit zicht verdwijnen.
Dat bleef ze, uit het zicht.
Gasten gingen naar binnen en kwamen weer naar buiten. Meer dan anderhalf uur duurde het zelden, Joe’s Diner was niet gebouwd op plakkers. Marjorie kwam niet in beeld. Rockne zag lichten dimmen, stoelen die op de kop op tafeltjes werden gezet, een man met een zwabber. Geen Marjorie.
Toen het donker was in de diner maakte Rockne een rondje om het blok. In een steeg stonden afvalbakken. Ernaast lagen dozen waar een zwerfkat in rondwoelde, gerafelde kleren die waren achtergelaten door een zwerver, een bezem zonder steel. Een man met een schort over een schouder kwam naar buiten en liep naar een kleine parkeerplaats waar drie auto’s stonden. Hij stapte in de kleinste. De middelste was voor een man die zijn schort nog om had, de grootste voor de vrouw die Rockne achter de kassa had zien zitten. Geen Marjorie.
Die nacht had Rockne veel om over na te denken en kreeg hij te maken met het fenomeen waar hij een hekel aan had: hoofdpijn door te veel ideeën en te weinig zekerheden.
Marjorie hoorde niet in een gelegenheid als Joe’s Diner, dat was punt een.
Joe’s Diner lag zo ver van de woning van Marjorie dat de kans dat ze er bij toeval terecht was gekomen geschrapt kon worden, dat was punt twee.
Marjorie behoorde niet tot het soort vrouwen dat in een gelegenheid als Joe’s Diner in haar eentje aan een tafeltje voor het raam gaat zitten en dan nog lacht ook, dat was punt drie.
Alan Hutton was sinds de avond met Rockne niet meer in Joe’s Diner geweest, daar had Rockne al het geld dat hij met moorden had verdiend onder willen verwedden, hij was gewoon geen man die daar moed genoeg voor had, dat was punt vier.
Als Marjorie niet voor Hutton naar de diner was gekomen voor wie of wat dan wel? Dat was niet punt vijf, dat was een probleem.

In de dagen die volgden probeerde Rockne het huis van Hutton, het huis van Marjorie en Joe’s Diner in de gaten te houden. Op maandagavond had hij daar schoon genoeg van en beperkte hij zich tot de diner, beurtelings voor- en achterkant.
Op donderdag koos hij voor de binnenkant. Binnen was het warmer, hij kon er eten en hij hoefde niet weg te duiken elke keer als een politieauto een rondje door de straat maakte. Zijn baardharen waren even lang als op de dag waarop hij voor het eerst met Alan Hutton sprak en hij droeg zijn Motorola-petje. Het grote verschil was de overall, wit en met een paar verfvegen, een schilder klaar met zijn werk die een deel van de avond stukslaat in een diner. Er gebeurde niets waar Rockne iets aan had. De avond erna verliep tot het biertje-toe op dezelfde manier, maar ineens was het raak. Door de vraag van een dertiger in een geklede jas en met het frisse hoofd van we gaan een avondje uit. Hij liep naar de bar en vroeg: ‘Komt Joe nog, vanavond?’
De nekspieren van Rockne spanden zich en het kostte hem moeite rustig te blijven zitten. De vraag trof hem als een klap met een hamer. Joe’s Diner. Joe Twix. Hij zat toch niet voor de derde keer in de tent van ... Het was toch niet zo dat hij, zonder het te weten ...
Hij kon het niet geloven, maar hij kon het ook niet laten zitten. De man aan de bar behoorde tot het slag Joe Twix, net zo opgepoetst, net zo over de top met alles, net zo ordinair en bijna even zelfverzekerd.
De barkeeper zei nee, de man zei waar is die kloothommel dan en de barkeeper zei ik zou het werkelijk niet weten meneer.
Rockne bestelde nog een biertje, een koffie, een biertje en vond toen de tijd rijp. Hij liep naar de bar en legde er het servet op waar hij een naam en een telefoonnummer op had geschreven. ‘Ik hoorde dat meneer Twix zijn huis wil laten schilderen. Wilt u hem mijn naam en telefoonnummer geven?’
De barkeeper trok zijn bovenlip op en las de tekst op het servet. ‘Heb je geen visitekaartje, Chris Hathaway?’
‘Ik hou het graag goedkoop,’ zei Rockne. ‘Goedkoop en goed en snel. Geen, hoe heet dat tegenwoordig, overhead. Oké?’
De barkeeper veegde het servet in een la. ‘Komt voor elkaar, vriend, maar reken nergens op.’
Rockne gaf geen antwoord. Hij had het te druk met de pest in hebben. Een opdracht krijgen van Joe Twix, eten in Joe’s Diner en geen moment de samenhang zien. Omdat er zoveel Joe’s zijn, omdat Joe Twix’ kantoor niet bepaald naast de deur is, omdat je een stomme zak bent, omdat ...
Rockne had die nacht geen behoefte aan slapen, maar het was ochtend voor hij het wist, zelfhaat laat de tijd vliegen.

‘Met Jamie Silva, ken je me nog. Ga nou maar meteen je baas halen, want het gaat er toch van komen.’ Rockne was weer op Logan Airport, watjes in zijn neus, het kriebelde en hij had voortdurend het gevoel dat hij moest niezen.
De secretaresse verspilde geen tijd. De stem van Cornelius klonk minder zelfverzekerd dan de eerste keer. ‘Silva?’
‘Die. Ik heb geen geld gezien, wel lijfwachten.’
‘En?’ Cornelius deed zijn best, maar hij klonk niet zo bars als hij wenste.
‘De meeste lijfwachten zijn weer naar huis, dacht je dat ik je zou vergeten. Nu gaan we voor 50.000, maak er maar 100.000 van. Binnen twee dagen.’
Rockne verwachtte een: ‘Of anders?’, maar hij kreeg: ‘Wie zegt me dat je niet zo maar een afperser met een grote bek bent?’
‘Ik zal het je makkelijk maken. Iemand wil je dood. Zijn naam is Joe Twix, zegt je dat iets?’
‘Nee, ik geloof ...’ Cornelius dacht na. Kwam tot een besluit. ‘Niets.’
‘Joe Twix is de vent die het met je dochter doet. Hij is eigenaar van Joe’s Diner. Met een beetje geluk tref je Marjorie daar vanavond. Vorige week zaterdag was ze er wel, ze leek heel gelukkig met Joe Twix.’
‘Heeft Marjorie een ... relatie? Vriend?’ Het was niet de zakenman Cornelius die sprak, het was de vader en het verschil was groot.
‘Blijkbaar denkt Joe dat jij niets in de relatie gaat zien. Hij heeft daar een oplossing voor. Ik kan ervoor zorgen dat zijn plan niet doorgaat, maar misschien kun je dat zelf ook.’
‘Ja.’ De zakenman was terug. ‘Ik denk wel dat ik dat kan, ja. Ik kan veel als ik wil. Achter je echte naam komen, bijvoorbeeld.’
‘Maak voor je me gaat zoeken maar 100.000 over, het rekeningnummer heb je. De vent die achter jou aan zit is een tweedehandsje, maar ik ben een prof. Ik heb de tijd en ik vind jou eerder dan jij mij. Snappen we elkaar?’
Rockne wachtte het antwoord niet af. Hij wist dat Cornelius hem begreep.

‘Heb je het gezien?’ vroeg Rockne en hij tikte tegen de Boston Herald. Alan Hutton keek naar de kop boven het eenkolomsbericht. ‘Man naakt in Union Park’. De man was Joe Twix en dat hij naakt was had de krant belangrijker gevonden dan zijn dood. Eén kogel door het hart, het was vakwerk geweest, maar Rockne vond het fantasieloze dommigheid. Hoe meer kogels, hoe meer publiciteit, maar hoe sneller de politie ervan uitging dat het waarschijnlijk het werk was van een doorgedraaide gek. Eén kogel zou doen denken aan een huurmoordenaar. Nooit de aandacht trekken, dat was Rockne’s advies als het om schieten ging. Er werd te veel gebeund in zijn vak, het werd een probleem, er zou een opleiding moeten komen.
‘Zegt me niks,’ zei Hutton. Hij zat te rillen op het bankje vlakbij Copley Square. Het had heel wat moeite gekost om hem zijn hotelkamer uit te krijgen en nog meer om hem ervan te overtuigen dat hij toe was aan een wandeling. Bij de Trinity Church begaven zijn benen het, ze hadden het bankje net gehaald. Bang was het goede woord niet voor Hutton. Panisch leek er meer op. ‘Wie is Joe Twix?’
‘Eigenaar van diners, en van een racepaard. Een bekende van de politie, geen goede bekende, maar toch. Het staat er allemaal, lees maar.’
De handen van Hutton trilden toen hij de pagina overnam, Rockne wist zeker dat geen woord tot hem doordrong. ‘Hij was ook de vrijer van Marjorie,’ zei hij. ‘Twix was de man die jou dood wilde.’
Hutton keek zoals een kind kijkt als het zijn favoriete knuffel terugkrijgt. ‘Heb jij ... Omdat ik je dat geld ... Was het allemaal waar wat je zei?’
‘Ik heb een paar dingen voor je geregeld,’ zei Rockne. ‘Verder weet ik nergens van. Niemand zit meer achter je aan. Twix wilde Marjorie en hij vond blijkbaar dat je in de weg zat.’
‘Wist Marjorie ....’
Rockne stond op. Zijn voorzetgebit deed pijn, net als zijn bovenlip, zijn rechter Cameron Diaz-lens deed het oog tranen. ‘Als ze te laat is met het betalen van je 1000 dollar zou je kunnen zeggen dat je hebt gehoord dat ze samenwerkte met Twix, het valt te proberen. Misschien sleep je er 2000 in de maand uit. Kijk wel uit voor haar vader.’ Pa Cornelius die 50.000 had overgemaakt naar de Cayman Islands. Geen 100.000, hij was tenslotte zakenman. ‘Pa is een beetje een harde, kreeg ik de indruk. Niet echt hard en ook niet al te slim, maar met dat soort mensen weet je het nooit.’
‘Nee,’ zei Hutton. Hij fluisterde en greep Rockne’s hand terwijl hij zich op zijn knieën liet zakken. ‘Dank je. Dank je.’
Rockne voelde zich blozen. Het leek of dat zachte ei hem een aanzoek zat te doen en een eindje verder liepen mensen die keken. Het zweet stond in zijn nek toen hij zich los had gerukt en zo snel wegliep dat het hollen leek.

(Dit verhaal over Rockne Paradise is 2007 verschenen in een Nieuwjaarsboekje voor vrienden en kennissen in een oplage van 35 exemplaren)

 

Een boodschap voor opa en oma Bow

Na een ingegooide voorruit en twee lekgestoken banden ging ik maar eens bij de buren vragen.
Earl en Fanny Bow woonden op zes meter afstand, maar hen bezoeken was meer dan zes stappen nemen, aankloppen en naar binnen gaan. Ik moest ervoor langs Dan, een hond met bloeddoorlopen ogen die zijn naam te danken had aan een liedje van Randy Newman. De Dan van het echtpaar Bow was even vals als die in het liedje. Hij had grote tanden, grote ogen en een grote grom. Alles was groot aan Dan en zonder honkbalknuppel kwam ik niet in zijn buurt. Ik nam een stuk vlees mee toen ik naar de Bows liep, maar hij negeerde het. Daarom riep ik. ‘Buurman, ben je thuis?’
Earl Bow was altijd thuis. Ik woonde drie weken in het trailerpark aan de zuidkant van Chicago en voor zover ik wist was hij niet één keer weggegaan. Maar wat moet je anders roepen?
Na drie keer zag ik een gordijntje bewegen. Ik wees naar Dan: ‘Ik wil er langs.’
De deur ging open op een kier en iemand riep iets. Fanny, dacht ik, ze klinkt of ze staat te huilen. Toen Dan ging liggen schuifelde ik naar de caravan. De ketting zat nog op de deur en Fanny bekeek me uitgebreid.
‘Jeff Meeks,’ zei ik. ‘Jullie buurman. Je kent me toch zeker.’
De ketting rinkelde en de deur ging open.
Fanny deinsde achteruit toen ik naar binnen stapte. Tranen over de wangen, een vuist tegen de borst, een hand met een vleesbijltje klaar voor de slag.
‘Ik heb een vraag,’ zei ik. ‘Eerst ging mijn voorruit eraan, daarna twee banden. Hebben jullie een idee wat er aan de hand is?’
Ze knikten allebei, maar zeiden niets. Ik ging zitten en wachtte af. Oude mensen moet je even tijd gunnen.

Fanny Bow was 68, Earl 71. Ze waren 34 jaar getrouwd en hadden vijf kinderen en zeven kleinkinderen, allemaal in Alabama, de staat waar ze drie jaar geleden vandaan waren gekomen. Ik dacht aan Dan en aan Randy Newman en zei: ‘Birmingham?’, maar het was Opp, een stadje aan de zuidkant. Op de oudste na woonden ze er allemaal nog en toen ik vroeg waarom zij waren weggegaan wezen ze naar een computerscherm van bijna een meter. Het scherm was het duurste onderdeel van hun bezit dat van rommelmarkten en garageverkopen afkomstig leek.
Ze hadden een bedrijf, zeiden ze. Verkoop via internet, vooral kleding, Fanny was goed in kleding, vroeger was ze ontwerpster geweest, later eigenaresse van een winkel voor damesmode.
Ik wist niets van computers en internet, maar het leek me dat je niet naar Chicago hoefde als je een bedrijfje had zoals de Bows. Toen ik dat zei werden de verhalen een beetje vaag. Ze hadden foutjes gemaakt, zeiden ze, het was beter geweest om te verhuizen, een eindje bij de kinderen vandaan zodat die geen last zouden hebben.
Ze spraken met een bibberstem en Fanny schoof om de paar minuten een gordijntje opzij om naar buiten te kijken.
Toen ik het gevoel had dat ze waren uitverteld bracht ik het gesprek terug naar de voorruit en de banden. Earl keek drie keer naar Fanny en reageerde pas nadat ze had geknikt. ‘Ze moesten ons hebben,’ zei hij. ‘Dat denken we tenminste.’
‘Omdat ze het verschil niet kennen tussen een caravan van acht meter en een tot camper omgebouwde Dodge Ambulance?’ vroeg ik.
‘Omdat ze naar nummer 2467 zijn gestuurd,’ zei Earl terwijl hij rood werd en langs me keek. ‘Dat nummer hadden wij vroeger, eh, vorig jaar.’
‘Vorige maand,’ zei Fanny.
‘Ongeveer tot jij kwam,’ zei Earl. ‘Ze hebben ons bedreigd en het enige wat de beheerder voor ons wilde doen was ons een andere plaats geven. Eén plaats, nog geen tien meter verderop, hier dus. Waar jij woont daar woonden wij, jongen.’ Hij hief zijn handen. ‘Sorry. Wat konden we anders doen, op onze leeftijd.’
Fanny zuchtte en maakte een halve cirkel met een hand. Ze omvatte er een groot deel van het trailerpark mee. ‘Je weet toch hoe het hier gaat?’ zei ze.
Ik had de kapotte ruit en de lekke banden telefonisch gemeld bij de beheerder en hij had ‘shit’ gezegd.
‘Door Dan komt hier in elk geval niemand binnen,’ zei Fanny.
Earl pakte een koperen pot waar hij uitgebreid in spuugde. ‘We worden oud,’ zei hij, ‘en ziek, vroeger dacht je nergens aan als je pijn had, maar nu.’ Hij greep naar zijn borst. ‘Het hart, dat wil niet meer zo, en Fanny’s gewrichten, alles gaat pijn doen als je oud bent.’ Hij keek me aan. ‘Jij bent groot, en jong.’
Hij wachtte tot ik had geknikt, in zijn ogen was iedereen onder de vijftig jong.
‘Sterk, dat ben je ook,’ zei Earl. ‘Jij kunt tegen een stootje, wij niet. Straks gooien ze bij ons de ruiten in en wat moeten we dan?’ Hij zette de pot weg en keek naar het keukentje. ‘Fan, als we de buurman eens vragen ons te helpen?’
Vijf minuten later had ik tien kreukelbiljetten van tien dollar die Fanny had opgediept uit een portemonnee met de omvang van een collectezak, was ik uitvoerig besnuffeld door Dan (‘Nu is hij je vriend’) en was ik de officieuze bewaker van de Bows die nog steeds beefden, maar die toen ik wegging een stuk minder bleek waren.

De rest van de dag vroeg ik me af hoe ik zo stom had kunnen zijn. Ik was naar het trailerpark gekomen om niets te doen. Ik had in de haven gewerkt in New York tot mijn rug bijna was gebroken en ik had genoeg geld om de warme zomermaanden door te komen op een stoeltje naast de Dodge. Kijken naar de lucht en naar het groeien van het onkruid, luisteren naar Dan en de ruzies om me heen, wachten tot de zon onderging en weer op. Zo had ik het gepland. Honderd dollars hadden het plan gewijzigd, en Fanny met haar tranen en Earl met zijn susgeluidjes als hij zijn vrouw over de rug streek. Honderd dollar. Per week. Ze hadden gekeken of ze zelf wel honger zouden lijden, ik had me nog schuldig gevoeld ook.
Toen de week voorbij was kwam Fanny met nog eens tien verkreukelde biljetten. Ik zei dat het niet nodig was omdat er niets was gebeurd, maar ze zei dat er juist niets was gebeurd omdat ik waakte.
‘Toe maar,’ zei ze toen ze het geld in mijn handen drukte. ‘Neem het er maar van.’
Ik kocht er bier voor en dronk dat op terwijl ik naar de zon keek die zakte, en naar de muggen die alvast rondjes draaiden om mijn hoofd. Als de zon was verdwenen zouden ze me eten, er waren weinig grote mannen in het trailerpark die zo lang onbeweeglijk bleven zitten.

Halverwege de week die volgde was het zo ver. Ze kwamen in het midden van een onweersbui die gepaard ging met slagregens. De wegen stonden vrijwel onder water, de bermen waren glad van water vermengd met leem. Het weerlichten viel mee, maar aan de donderslagen leek geen einde te komen. Rollende donder, noemden we dat in het Denver van mijn jeugd als je de wolken over de uitlopers van de Rocky Mountains zag glijden en je wist dat wat ging komen was wat Noach voor ogen had toen hij aan zijn ark begon.
Bij de Bows lag Dan onder een golfplaat waarop zoveel water ratelde dat hij onmogelijk iets kon horen. Ik hoorde evenmin iets. Ik zag ze. Ze kwamen in een pick-up met groot licht. De lichten dansten als de pick-up door de kuilen stuiterde en ze waren feller dan het lampje waarbij ik een Jesse Stone-roman van Robert Parker lag te lezen.

Ik stond naast de Dodge voor ze stilstonden en zag ze uitstappen, drie mannen met ijzeren staven. Ik kreeg de voorste te pakken toen hij op een paar meter afstand van de Dodge de hand met de staaf hief. Om te slaan, dacht ik. Weer een deuk in de carrosserie, of een ruit aan barrels. Ik gaf hem een stomp in de maag en een knietje. Dat was voldoende. Hij viel voorover in een plas en liet de staaf los. Het was een koevoet van anderhalve kilo die prettig in mijn hand lag. Ik zwaaide ermee naar de andere twee die elkaar aankeken en zich omdraaiden. Ze riepen iets, maar ik verstond er geen woord van. De regen roffelde en de donder rommelde. Ik ging achter ze aan toen ze wegliepen en raakte de kleinste op de rug. Hij gleed weg en viel. De andere hield zijn pas in, zwaaide met zijn staaf, aarzelde en liep door. Ik ging achter hem aan tot ik geluiden hoorde. Een auto naderde en remde op de plaats waar ik de kleine man had geraakt. Ik zag hem een portier opentrekken en naar binnen springen. De auto reed vlak langs me en spoot een golf water over me. Het was de pick-up met de man van wie ik de koevoet had afgepakt achter het stuur. Hij pikte de hardloper op en ging er vandoor.
Ik liep grommend terug naar de Dodge. Ik hijgde harder dan ik had verwacht en gleed voortdurend uit mijn schoenen die vol stonden met water en modder die van mijn broek droop.
Ik gooide de koevoet weg toen ik een gezicht achter een ruit van de Bow-caravan zag. Fanny, dacht ik. Blijkbaar heeft ze toch iets gehoord.
De deur ging open en Earl maakte een gebaar. Ik liep tot de drempel en schudde modder van me af. ‘Vies,’ zei ik.
Het gezicht van Fanny verscheen vanachter Earls schouder. ‘Geeft niet.’ Ze gooide me een handdoek toe. ‘Droog je maar een beetje af. Waarom heb je Abe geslagen?’
Ik voelde mijn mond openzakken. ‘Abe? Wie is Abe?’
‘Onze oudste.’ Fanny keek boos. ‘Weken geleden hebben we hem gevraagd om langs te komen. Jij hebt hem weggejaagd.’ Ze zwaaide met een vinger. ‘Weggejaagd. Ik riep nog toen ik zijn pick-up herkende, maar jij hoorde niets.’ Ze zuchtte en keek verslagen opzij. ‘Wat moeten we nou, Earl. Wie gaat er nou naar South Bend om de nieuwe stalen op te halen?’

‘Abe is onze oudste, de enige die niet in Opp woont,’ zei Fanny. Ze zat in een hoek van de bank en kromp in elkaar bij elke lichtflits. ‘Hij trekt door het land. We kunnen hem niet schrijven en bellen heeft geen zin, we hebben geen telefoon en hij heeft elke keer een ander nummer.’ Ze wees naar de computer. ‘Af en toe mailen we. Hij geeft nooit antwoord, maar hij reageert wel, al weten we nooit wanneer.’ Ze keek beschuldigend. ‘Jij hebt hem weggejaagd.’
Ik bewoog me ongemakkelijk. Earl zat naar me te kijken met een mond als een streep, Fanny bewoog of ze was geslagen, zelf stond ik op een rubbermat uit te druipen. Voor Earl en Fanny was de caravan groot genoeg, maar ik kon niet rechtop staan, dus stond ik met gebogen hoofd als een schooljongen die een standje krijgt.
‘Ze kwamen op mijn auto af,’ zei ik.
‘Omdat Abe niet wist dat we waren verhuisd, natuurlijk.’ Fanny keek opzij. ‘Hebben we dat gemaild, Earl, dat we zijn verhuisd?’
Earl schudde het hoofd, maar zei niets.
‘Ze hadden ijzeren staven in de hand,’ zei ik. ‘Wat doe je als ze met ijzeren staven naar je auto lopen?’
Fanny wachtte met opgetrokken schouders tot de donder was uitgerold. ‘Vroeger was ik bang,’ zei ze. ‘Nu nog. Een beetje. We hadden Abe gevraagd om een boodschap voor ons te doen. Iets belangrijks.’ Ze keek naar Earl. ‘We dachten dat het verstandig was als hij een paar vrienden meenam. Abe moet ons mailtje verkeerd hebben begrepen.’
‘Hij zwaaide met de staaf.’
‘Misschien liep hij hard omdat het regende. Dan zwaai je met je armen. Heeft hij iets vernield?’
‘Hij kreeg de kans niet.’
‘Nou is hij weg.’ Fanny sloeg haar armen om zich heen. ‘Nu hebben we niemand.’ Ze keek naar het plasje modderwater rond de mat, naar Earl, naar mijn gezicht. ‘Misschien kun jij de boodschap doen. Om het goed te maken. Om het geld te verdienen dat je van ons hebt gekregen.’
‘Een boodschap in South Bend?’
‘Daar vlakbij. Een tas met stalen ophalen. Stalen van stoffen, en ook ontwerpen en knippatronen.’ Ze zag me kijken. ‘Ontwerpen voor kleding, schetsen, tekeningen,  ‘Voor het maken van kleding, kijk niet zo, je snapt me best.’ Ze wachtte tot ik had geknikt. ‘Je kunt meteen het geld meenemen. We hebben nog iets te goed van iemand voor wie we werken.’ Ze haalde diep adem. ‘Wel vijfduizend dollar. Daarom hebben we Abe gevraagd om een paar vrienden mee te nemen.’ Ze keek vol ontzag. ‘Vijfduizend. Daar kunnen we eindelijk nieuwe vloerbedekking van kopen.’
Een kwartier later lag ik in de Dodge te luisteren naar de regen. Zo gauw het droog was zou ik naar Ardmore gaan, een vlek aan de westkant van South Bend. Ik wilde het niet, maar toen Fanny het vroeg met ogen die glommen hoorde ik mezelf ‘ja’ zeggen en toen ze het vlak voordat ik de regen instapte nog een keer vroeg zei ik tot mijn schrik: ‘Graag gedaan.’

Het gebouw waar ik moest zijn lag tussen Ardmore en het vliegveld van South Bend. Het was een oude fabriek van rode baksteen met gebogen ramen waar tralies en gaas voor zaten. De ingang leidde naar een kantoor dat er uitzag of er brand had gewoed. Zo rook het ook. De man achter het bureau had een lucht om zich heen hangen waar geblakerd hout een verfijnd parfum bij was. Hij had een buik, een onderkin, wallen onder de ogen en het laagste voorhoofd dat ik ooit had gezien. Of ze de schedel hadden verwijderd en het toen maar zo hadden gelaten. Hij sprak alsof iemand het grootste deel van zijn hersens ook had meegenomen, met veel ‘wat’, ‘hè’ en rochels die niet altijd naast het bureau terecht kwamen.
Ik zei dat ik de tas van Earl Bow op kwam halen en hij knikte. Ik zei het opnieuw en hij knikte. Na drie keer vroeg ik of het zou helpen als ik hem van zijn stoel gooide. Hij knikte, pakte een pistool uit een la en gaf met een vlakke hand een klap tegen de ijzeren deur achter hem.
Hij bleef slaan tot de deur openging. Een hand wenkte me binnen en ik stapte in een kale ruimte waarin tientallen vrouwen achter een naaimachine zaten. Het geluid van de machines was in competitie met dat van een radio waarop een man in het Spaans een verhaal hield. De vrouw die de ijzeren deur had geopend legde een vinger tegen haar lippen en liep door het middenpad naar een kantoortje.
‘Te veel lawaai daar,’ zei ze nadat ze de deur had dichtgeduwd. Ze leek een beetje op de man in het voorkantoor: ook dik, ook een onderkin en ook een voorhoofd waar een paar centimeter bij had gemogen. Ze had heldere ogen. Slimme, dacht ik, dit is een ‘geen geintjes’-vrouw.
Ik ging zitten en zei dat ik namens de Bows kwam, Earl Bow uit Chicago.
De vrouw keek me scherp aan, haalde haar schouders op en pakte een tas uit een kast.
‘Zwaar,’ zei ze toen ze de tas naar me toe schoof.
‘Er horen stalen in te zitten,’ zei ik. ‘Patronen en zo, en wat geld. Hoe zwaar kan dat zijn?’
‘Voel maar,’ zei de vrouw.
Ik tilde de tas op. ‘Kilo of tien?’
De vrouw wees naar een paspop. ‘Er zit een schaalmodel van die pop in. Hoe zei je dat de vrouw van Earl heette?’
‘Fanny,’ zei ik.
Ze knikte of ik een test had doorstaan. ‘Hoe heet jij ook weer?’
‘Meeks,’ zei ik. ‘Jeff.’
De vrouw tikte op een toetsenbord. Op een computerscherm zag ik mijn hoofd verschijnen.
‘Dit is onze controle,’ zei de vrouw. ‘We willen graag zeker weten dat we onze spullen aan de juiste man meegeven.’
’Wie heeft die foto gestuurd?’
‘Fanny?’ De vrouw zei het alsof ze het vermoedde. Aan haar gezicht zag ik dat het haar niet interesseerde. ‘Fanny wil alle modellen zien, vandaar dat de tas zwaar is. Het geld zit in een apart kistje met een cijferslot. Kijk er maar in, beter hier dan buiten.’
Ik opende de tas en zag papieren, ‘de patronen,’ zei de vrouw, stukken stof, ‘dat zijn de stalen, voor de kleur’, en een klein model paspop zonder armen en benen. Eronder lag een plat, metalen kistje.
‘Als je daar aan gaat prutsen krijg je verf in je gezicht,’ zei de vrouw. ‘Aan geld met verf heb je niks. Oké?’
Ik zei dat het oké was en ging weer zitten. Foto, dacht ik, hoe komt ze aan die foto?
‘Of wacht je op koffie?’ vroeg de vrouw.
Ik pakte de tas en liep het kantoor uit. Door de radio klonk het geluid van een zangeres die Spaans zong. Aan de manier waarop veel vrouwen hun lippen bewogen zag ik dat ze meezongen.

Nadat ik had gegeten in een Howard Johnson halverwege Chicago zette ik de Dodge aan de rand van het grote parkeerterrein. Ik legde de patronen en de kleurstalen op mijn bed en trok de mini-paspop uit de tas. Ze woog een kilo of zes, zeven en dat was veel voor een kunststoffen bovenlichaam-met-hoofd. Ik schudde en dacht dat ik iets hoorde. De pop was hol, maar gevuld met iets dat kon bewegen. Ik draaide aan het hoofd en klopte op de rug als een arts die luistert of er vocht achter de longen zit. Het geluid was dof. Dat betekende misschien iets voor een arts, maar niet voor mij. Toen ik de pop beter bekeek zag ik een dunne naad bovenaan de hals, net onder de kin. De naadranden waren weggeschuurd, maar ze waren net niet helemaal glad geworden. Ik schudde opnieuw, haalde mijn schouders op en pakte de gereedschapskist.
Ik zaagde in de naad onder de kin, heel voorzichtig. Er kwam eerst een beetje zand naar buiten en daarna houtwol. De houtwol kwam uit het hoofd, het zand uit hals en bovenlichaam waar het de ruimtes had gevuld tussen pakjes van een decimeter lengte en een doorsnee van ongeveer vijf centimeter. Er kwamen tien pakjes te voorschijn, allemaal wit poeder in dik plastic met ducttape op de hoeken. Ik woog een pakje op een hand. Halve kilo, dacht ik, voor me ligt ongeveer vijf kilo ... Vijf kilo wat. Cocaïne, dat was het eerste dat in me opkwam. Het zag er uit als zeeppoeder, maar ik had het eerder in handen gehad, in Denver toen ik een slungelige, graatmagere puber was die vol overgave pakjes rondbracht voor de man die ik beschouwde als de baas van het centrum.
Ik pakte een schaar, maakte een gat in een pakje en liet wat poeder op een hand lopen. In films snuiven ze meteen of likken ze, maar dat was me al afgeleerd toen ik net zestien was. Als je snuift of likt weet je niet wat er gebeurt: niets als het zeeppoeder is, je gaat zweven als het cocaïne blijkt, je bent dood als de strychnine zijn werk doet. Ik had in Denver verhalen gehoord over strychnine. Misschien waren ze onzin, maar sinds die tijd snuif of lik ik nergens aan.
Ik plakte het gat dicht met een stuk cellotape en maakte een stukje van het bed vrij voor het geldkistje. Het was van ijzer en het zag er stevig uit, maar er zat speling in de deksel, zeker een millimeter. Verfbom, had de vrouw in de naaifabriek gezegd, maar ik geloofde er niets van. Voor alle zeker wikkelde ik een lap plastic om het kistje en de hand waarin ik een schroevendraaier had. Het was een heel gewurm onder het plastic, maar toen de deksel openging ontplofte er niets. Toen ik de stapels biljetten pakte evenmin. Het kistje was net groot genoeg voor twee stapels naast elkaar, allebei van zestig biljetten van honderd dollar. Twaalfduizend, dacht ik, geen vijfduizend, oma Fanny is slordig als het om geld gaat, of ze vertrouwt me maximaal vijfduizend toe.
Ik deed de biljetten in het kistje en legde het in de tas, samen met de pakjes, de patronen en de stukken stof. De delen van de pop schoof ik onder mijn bed. Daarna ging ik naast de Dodge op een steen zitten. Na een paar minuten zat ik te doezelen, maar ik zwoer bij mezelf dat het denken was.

De Chevrolet reed na mij het parkeerterrein af, liet zich afzakken en bleef twee auto’s achter me. In zeker opzicht stelde het me gerust. Het was het antwoord op de vraag of de Bows zo’n groot vertrouwen in me hadden dat ze me zonder controle vijf kilo drugs en twaalfduizend dollar op lieten halen. Vlak voor Chicago reed ik de parkeergarage van een groot winkelcentrum in en bleef in de Dodge zitten tot de Chevrolet twee rijen achter me een plaatsje had gevonden. Ik veegde de resten houtwol en zand onder mijn bed en liep naar het winkelcentrum. Een uur later kwam ik terug met twee zakken boodschappen. Een paar minuten later stapte ik uit, smeet het portier met kracht dicht en liep met grote stappen terug naar het centrum terwijl ik mijn mond bewoog alsof ik tegen mezelf aan het praten was. Kwade man die boodschap is vergeten.
Ik liep de garage uit, ging via een lagere verdieping terug en liep naar boven over de opgang die verboden is voor voetgangers. Ik kwam uit achter de Chevrolet en ging op mijn hurken zitten, terwijl ik hanneste met het pakje shag dat ik in een supermarkt had gekocht. Ik had geen idee hoe je een sigaret zou moeten rollen, maar omdat ik niet rook gaf dat weinig, het ging om de indruk.
Na een kwartier zag ik de Chevrolet bewegen. Een man stapte uit en liep gebukt naar mijn Dodge. Zijn bukken was weinig meer dan een hoge rug opzetten en toen hij opzij keek zag ik het lage voorhoofd van het naaiatelier. De man bleef staan bij de Dodge, trok aan het portier, maakte een nijdige beweging en liep naar de achterkant terwijl hij iets te voorschijn haalde.
Ik was achter hem voor hij de achterdeuren kon mollen. Met een koevoet, zag ik, iedereen leek er een bij zich te hebben. Ik sloeg hem net zo lang met het hoofd tegen de hoek van de Dodge tot hij de koevoet losliet en onderuit ging. Er was niemand die riep en niemand die ontzet naar ons stond te staren, er was zelfs geen auto die met piepende banden rondjes reed. Ik sleepte de man mee naar de Chevrolet, duwde hem op de achterbank en voelde in zijn zakken: pistool, autosleutels, telefoon, rolletje met acht biljetten van tien dollar. Geen rijbewijs, geen creditcard, geen brieven met een naam, een paar basisregels waren er in elk geval bij hem ingestampt. Het pistool, de autosleutels en het geld stak ik in mijn zak, de mobiel trapte ik aan stukken, daarna wachtte ik tot hij iets zei.. Het was ‘wat’ en ‘hè’, net als in Ardmore en elk woord ging vergezeld van een lucht die me de adem benam. Toen ik genoeg had geroken gaf ik hem een tik met zijn eigen koevoet en liep ik naar de Dodge om ijzerdraad te halen. Ik wikkelde het draad om zijn polsen, trok zijn schoenen en broek uit en maakte zijn benen vast aan de onderkant van de chauffeursstoel. Daarna stapte ik in de Dodge en reed ik weg. Het kon me niet schelen hoe hij heette en wie hem had gestuurd. De antwoorden die ik zocht waren in het trailerpark te vinden dus daar ging ik naar toe. Maar niet te snel. Ik wilde er niet zijn voor het donker was.

Ik parkeerde de Dodge op een halve mijl van het trailerpark, pakte de tas en ging lopen. In de namiddag waren er wolken gekomen en af en toe viel er motregen. Het hield de mensen binnen en niemand lette op me toen ik een plek zocht tussen de struiken tegenover de caravan van de Bows. Boven de regen uit hoorde ik iemand praten. Ik zag dat Dan het ook hoorde. Hij liep eindeloos heen en weer met de staart omhoog en af en toe zette hij zijn voorpoten tegen de zijwand. Toen de deur open ging sprong hij naar voren. Een man gaf een gil en deinsde achteruit. Even later kwam Fanny naar buiten met een schaal in haar handen. Ze streek Dan over zijn kop en zette de schaal voor hem neer. Toen Dan at sprintte een man langs hem heen die pas vaart minderde bij de pick-up die op mijn stukje grond was geparkeerd. Ik had de auto herkend. Hij was van de beheerder die Kevin heette en die als belangrijkste pluspunt zijn stem had. Hij compenseerde er zijn lengte van ruim anderhalve meter mee. Geen wonder dat ik geluiden had gehoord, als Kevin met stemverheffing sprak bestreek hij het park.
Fanny en Earl stonden in de deuropening toen Kevin de pick-up startte. ‘Als je het hebt dan wil ik dat weten,’ riep hij. ‘Kan me niet schelen hoe laat het is. Je komt naar me toe en maakt me wakker. Oké?’
Ik zag Fanny en Earl knikken. Na het tweede ‘Oké?’ van Kevin zei Fanny met een dunne, hoge stem: ‘Oké, Kevin.’

In het halve uur druilregen dat volgde ging niemand de caravan van de Bows binnen en kwam niemand naar buiten. Het leek rustig, maar Dan bleef alert. Langer dan een paar seconden lag hij niet, het grootste deel van de tijd bracht hij door met heen en weer lopen. Hij had zijn hoofd in mijn kruis voor ik drie stappen had gezet op het pad naar de caravan en een paar seconden lang hield ik mijn adem in. Blijkbaar herkende hij me, want hij hield het bij een lik, maar hij liep wel mee naar de deur.
Earl deed open. Hij was gekleed in een flanellen nachthemd dat tot over zijn knieën viel en hij had iets op het hoofd dat dicht bij een puntmuts kwam. Achter hem stond Fanny in gelijksoortige kledij. Ze zagen er uit als bange kabouters.
‘Ik heb de boodschappen,’ zei ik.
Fanny was de eerste die reageerde. ‘We waren bang dat je ... dat je ...’ Er verscheen een traan onder een oog. ‘Waarom ben je zo laat, Jeff. We vertrouwden je zoals we onze kinderen vertrouwen, maar toen je niet kwam ...’ Ze hijgde of ze buiten adem was. ‘Je had uren geleden terug kunnen zijn.’
‘Ik werd gevolgd,’ zei ik.
Earl pakte de tas en zette hem op tafel. ‘Door wie.’ Hij zei het of hij het hoofd er niet bij had.
‘Een man met een pistool,’ zei ik
Earl opende de tas en haalde er knippatronen en stukken stof uit. ‘Iemand volgde je met een pistool? Lopend?’
‘In een auto. Ik kreeg hem door en pakte hem. Hij had een pistool in zijn zak. Ik gooide hem op de achterbank van zijn eigen Chevrolet.’
Earl wilde iets zeggen, maar zijn adem stokte. Hij boog zich voorover en tuurde in de tas. ‘Heb je gekeken wat er in zit?’
‘Wat dacht je dan,’ zei ik.
Earl liet zich wegduwen door Fanny. ‘Nu snap ik waarom Kevin zo’n drukte maakte,’ zei ze nadat ze met een vinger in de tas had geroerd. ‘Hij was hier. Een uurtje geleden, net nadat we tegen elkaar hadden gezegd: Laten we er maar bij gaan liggen, Jeff komt niet meer. Toen kwam Kevin.’
‘Waarom?’
‘Eerst dachten we dat hij kwam omdat hij geld van ons krijgt. Hij heeft de caravan gerepareerd toen er dingen kapot waren, het fornuis, de wc. Vijfduizend, precies het bedrag dat jij mee zou nemen. Maar het ging niet om die vijfduizend, er was meer.’ Ze huiverde. ‘Hij schreeuwde dat we er bang van werden. Dat hij Dan dood zou schieten, en ons ook.’
Earl haalde een van de pakjes te voorschijn. ‘Weet je wat dit is?’
‘Zeg het maar,’ zei ik. ‘Suiker?’
Fanny liet kreetjes horen, Earl gromde toen hij de tas leegmaakte. De pakjes legde hij keurig op een rij, het kistje zette hij ernaast.
‘Kijk er maar in,’ zei ik terwijl ik naar het kistje wees.
Earl opende het en pakte het geld. ‘Twaalfduizend,’ zei hij nadat hij het twee keer had geteld.
Fanny had meegeteld. ‘Twaalf,’ zei ze. ‘Er zou vijfduizend inzitten en geen cent meer.’ Ze tikte met een vinger tegen het pakje waarover ik cellotape had geplakt. ‘Heb jij dat opengemaakt?’
Ik knikte.
‘Wat zit er in, Jeff.’ Het klonk of ze er zeker van was dat ik het spul zelf had gefabriceerd.
‘Geen idee,’ zei ik.
Ze snoof, peuterde een hoekje van het tape los en maakte een vinger nat. ‘Geen idee,’ zei ze. Het klonk of ze er ‘haha’ achteraan had willen zeggen. Ze likte aan haar vinger. ‘Wat moet jij met coke, Jeff.’
Ik kreeg geen kans om te antwoorden. ‘Kevin, natuurlijk.’ De stem van Earl kraakte bijna. ‘Daarom maakte hij zo’n drukte. Hij wist dat Jeff een boodschap voor ons deed.’
Fanny keek of ze er niet veel van begreep. ‘Omdat hij is gebeld door iemand uit South Bend?’
‘Ardmore,’ zei Earl. ‘Kevin dacht: als Jeff toch een tas meeneemt dan kan ik daar wel iets voor mij in laten stoppen.’ Hij maakte een gebaar naar mij. ‘Zei de man die je volgde voor wie hij werkte?’
Ik schudde van nee. ‘Ik heb het hem niet gevraagd.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het me niet kon schelen.’
‘Omdat je dacht: daar zitten Earl en Fanny achter,’ zei Fanny. Ze pakte met beide handen mijn arm. ‘Jij dacht dat we je hadden gestuurd om drugs te halen. Wij.’ Ze keek of ze haar ogen niet geloofde. Ze pakte een stapel dollarbiljetten en telde. ‘Hier, zevenduizend dollar, precies het bedrag dat te veel is. Breng het maar gauw naar Kevin. Het is ons geld niet. Zeg maar dat we de vijfduizend die wij hem schuldig zijn klaar hebben liggen. Als hij het wil dan kan hij het komen halen.’ Ze liep naar de deur. ‘We zullen op hem wachten, samen met Dan. En nu er uit, jij. Ik wil dat je weggaat.’ Ze wees naar de pakjes. ‘Earl en ik willen het. Neem die vuiligheid mee en maak dat je weg komt. Ga naar Kevin of rij weg, het kan me niet schelen wat je doet, maar jou en die rotzooi wil ik hier niet meer zien.’ Ze liep naar me toe en sloeg met haar vuistjes tegen mijn borst. ‘Pak die troep en verdwijn.’
Haar ogen stonden zo fel dat ik niet wist wat ik moest doen. ‘Mijn Dodge staat daarginds,’ zei ik en ik hoorde hoe lullig het klonk. ‘Ik ben komen lopen. Om te kijken.’
‘Naar ons,’ zei Fanny. ‘Om ons te beloeren.’
‘Ik dacht dat jullie me gebruikten als koerier en dus ...’
Opnieuw twee vuistjes tegen mijn borst. ‘En dus ... en dus ... Hoe lang heb je staan kijken, Jeff?’
‘Niet lang,’ zei ik.
‘Jammer,’ zei Fanny, ‘anders had je kunnen zien dat Kevin hier was en dan had je kunnen horen dat hij ons bedreigde. Ga maar naar hem toe.’
‘Niet met dát.’
Fanny liep naar het bed en gooide de pakjes in de tas. Het kistje ging er achter aan. Ze hijgde toen ze de tas optilde. ‘Wat moeten wij er mee? Straks komt de sheriff.’ Ze keek alsof ze iets zag van heel vroeger. ‘We hebben ooit foutjes gemaakt, dat hebben we verteld. Dat was met dit,’ klap tegen de tas, ‘met deze rotzooi. Dat doen we nooit weer.’ Ze zuchtte toen ik geen beweging maakte. ‘Goed,’ zei ze. Ze trok een kastdeur open en gooide de tas er in. ‘Hier kan-ie blijven. Voorlopig. Misschien weet je echt nergens van.’ Haar ogen werden zachter. ‘Gisteren zeiden we nog: We hebben niet vaak een buurman gehad zoals Jeff Meeks.’ Ze draaide de kast op slot en gaf me de sleutel. ‘Voor zes uur morgenochtend is dat spul weg, anders sturen we de sheriff op je af, Jeff Meeks.’
Ik wilde iets zeggen, maar ze drukte een vinger tegen haar lippen. ‘Hou je mond maar. Zes uur, morgenochtend. Neem zevenduizend dollar mee. We houden alleen ons eigen geld.’ Ze duwde me naar de deur. ‘Als je na zes uur nog in de buurt bent stuur ik Dan op je af. Denk maar niet dat die bang is voor een pistool.’

‘Wat moet je,’ zei Kevin. Hij stond in zijn onderbroek en krabde zijn buik. Hij zag er niet bang uit. Hij zag er uit zoals de eerste keer dat ik hem zag: klein, te dik en met de vermoeide blik van iemand die gewend is dat er van vroeg tot laat aan zijn kop wordt gezeurd.
Ik gooide de zevenduizend dollar naar hem toen. Hij probeerde te vangen, miste en bukte zich zuchtend om de biljetten op te rapen. ‘Waar is dit goed voor?’
‘Van de Bows,’ zei ik. ‘Zevenduizend dollar en of je je drugs zelf wilt komen halen. De hond is er klaar voor.’
Kevin keek naar het geld. ‘Waar is de rest?’
‘Welke rest.’
Kevin zuchtte en maakte een gebaar. ‘Kom maar binnen. Kan ik er bij zitten als je vertelt hoe Fanny en Earl Bow je te grazen hebben genomen.’

‘Hoe vaak ben je hier geweest?’ vroeg Kevin toen ik was uitverteld. ‘Nul keer?’
Ik knikte.
‘Hoe vaak ben je in de winkel geweest? Nul keer?’
Ik knikte.
‘Hoe veel mensen ken je hier. Er zijn 791 plaatsen bezet. Hoeveel bewoners ken je van naam? Buiten de Bows, bedoel ik. Nul?’
Ik knikte niet, maar hij las het antwoord in mijn ogen.
‘Word je kwaad als ik je een lul noem?’ Hij stak snel een hand op. ‘Knik maar niet. Kijk maar gewoon mee.’ Hij liep naar een computer in de hoek en veegde papieren van het bureau. Kevin bewoonde een huis. Om hem heen stonden mobilhomes, caravans, campers en pick-ups met een geïmproviseerd dak boven de bak, maar hij had een huis, klein, rommelig en fantasieloos.
‘Ik ben alleen,’ zei Kevin. ‘Niemand die zegt wat ik moet. Hier niet tenminste. Daar krijg je rommel van. Pak een stoel en kijk mee.’ Hij drukte op toetsen en ik zag de foto’s van Fanny en Earl verschijnen. ‘Lees maar,’ zei hij. ‘Het is geheime informatie, maar als ik geheimzinnig ga doen zit ik straks met een blauw oog.’
Earl en Fanny kwamen uit Indiana. Hun enige kind, een dochter, was acht jaar geleden overleden. Geen kleinkinderen. Geen zoons. Niks Alabama. Ze hadden een internetbedrijfje gehad dat Granny Fanny Clothes had geheten, maar dat was verleden tijd. Ze hadden in Detroit gewoond en in South Bend. Daar tussenin een tijd in Toronto.
‘Ik heb twee keer iemand aan de deur gehad die me vroeg wat ik wist van de Bows,’ zei Kevin. ‘Beide keren iemand die groot en sterk was, net als jij. Maar wel slimmer. Zij vroegen zich dingen af over de Bows. Zover ben jij niet gekomen.’
‘Wat voor dingen?’
‘Waarom hun banden lek waren gestoken en waarom de Bows probeerden aan te pappen en vroegen of ze een boodschap wilden doen.’
‘Niet waarom jij geen vinger uitstak als er ruiten en banden waren vernield?’
Kevin trok een gezicht. ‘Ik steek pas een vinger uit als er gewonden vallen. De politie komt hier niet voor een lekke band dus waarom zou ik me druk maken.’
‘Ook niet als mannen met koevoeten op een bewoner aflopen?’
Hij keek verbaasd. ‘Op jou?’
‘Ja,’ zei ik.
‘Als je het had gemeld dan had ik gezegd dat je jezelf blijkbaar prima kunt redden,’ zei hij. ‘Maar ik weet nergens van dus zeg ik niks.’
Ik las de tekst bij de foto’s nog een keer. ‘Hoe lang wonen de Bows hier al?’
‘Drie maanden, precies lang genoeg om een schuld bij me te krijgen van meer dan achtduizend dollar.’
‘Huur en zo?’
‘Weinig huur,’ zei Kevin, ‘maar veel en zo. Ze zijn drie keer verhuisd, de hele caravan naar een andere plek, wie denk je dat het werk kon doen? Ze lieten twee keer per week het eten brengen. Ze kwamen nooit naar de winkel, ze bestelden.’
‘Per e-mail? Ze zeiden dat ze geen telefoon hadden.’
Hij keek me aan of ik gek was. ‘Wonen in een trailerpark en geen mobiel? Wat is er mis met je?’
‘Tegen mij zeiden ze dat ze een plaatsje waren opgeschoven omdat ze zich bedreigd voelden.’
‘Zal lekker helpen, één plek. Ze hebben gestaan waar jij nu staat, maar ze wilden opschuiven omdat het beter was met het oog op de zon en de satellietontvangst. Voor zover ik weet zitten ze de hele dag voor de computer, hun hond laten ze in de tuin kakken.’ Hij haalde adem. ‘Tuin, ik hoor het mezelf zeggen.’
‘Waarom heb je ze niet weggestuurd?’
‘Omdat hier mensen wonen die een stuk gekker zijn dan de Bows. Als ik iedere mafkees moet wegsturen dan wordt het een lege boel en dan beland ik in het ziekenhuis, er zitten lekkere jongens tussen.’ Hij haalde diep adem. ‘Ik had het kunnen weten. Ik wist dat het mis zou gaan toen Fanny vroeg of ik jou de plek naast hun caravan wilde geven.’
‘Moest ik daarom een paar dagen op het gastenveld staan.’
Kevin schudde het hoofd. ‘Ik laat iedereen wachten. Sommigen worden ongeduldig en verdwijnen, dat scheelt administratie. Fanny vroeg of ik niks tegen je wilde zeggen. Ze zei: Zet maar vijfhonderd extra op de rekening.’
‘Voor vijfhonderd bewijs je iemand een dienst?’
‘En geef ik iemand als Fanny een foto. Dat wilde ze graag. Een foto van haar nieuwe buurman, voor het album. Een herinnering, zei ze, als je oud wordt dan vergeet je zo snel.’
‘Je dacht niet: ik moet even aan Jeff Meeks vragen wat hij daar van vindt?’
Kevin haalde zijn schouders op. ‘Sommige bewoners komen een praatje met me maken. Die vertel ik wat. Jij kwam niet dus viel er niks te vertellen. Je leek me groot genoeg om voor jezelf te zorgen en wat is nou een foto als een oude dame er om vraagt.’ Hij tikte op een toets. ‘Ze hebben gewoond in Detroit, Toronto en South Bend, dat zei ik al. Daarna zaten ze in trailerparken.’ Hij telde. ‘Zeven stuks, allemaal in het noorden.’
Van Seattle tot Buffalo, zag ik. ‘Heb je gevraagd waarom ze zo vaak zijn verhuisd?’
‘Nagevraagd,’ zei hij. ‘Niet gevraagd. Ik had al gauw door dat je aan de Bows niet veel moet vragen. Zeker niet aan Fanny. Die pakt je in waar je bijstaat. Ik heb heel wat verhalen gehoord, maar wat ze ook uitspookten, nooit kwam er politie bij. Ze kwamen en ze gingen.’
Hij zette de computer uit. ‘Als ik jou was ging ik terug. Als ze er nog zijn zeg dan dat ik nog geld van ze krijg. Gisteren had ik het volle bedrag moeten hebben. Erewoord, zei Fanny en ze legde een hand tegen haar borst. Vanavond ben ik nog langs geweest. Het kwam eraan, zeiden ze. Ze hadden gelijk, jij kwam met zevenduizend. Ik denk eigenlijk dat de rest met de post komt, ze hebben nooit ergens schulden gemaakt.’ Hij keek tevreden. ‘Niet bij de beheerders in elk geval. Mochten ze er niet meer zijn kijk dan wel in je camper of je iets mist.’
Bij de deur vroeg hij. ‘Wat moest je voor ze doen, Meeks.’
‘Niks,’ zei ik. ‘Een boodschap.’
Hij keek meewarig. ‘Een mens vraagt zich af voor wat voor boodschappen oude mensen een sterke man nodig kunnen hebben. Voor betonnen palen, denk ik, of hebbedingetjes waar veel vraag naar is.’
‘Hou het maar op de palen,’ zei ik.
Hij knikte. ‘Lijkt me het beste. Van betonnen palen krijg je het hooguit in je rug, van hebbedingetjes,’ hij snoof en deed of hij kriebel in zijn neus had, ‘krijg je kogelgaten als het mis gaat. Kijk maar goed uit als je bij de Bows bent.’

De caravan was er nog, de Bows waren verdwenen, evenals Dan. De deur van de caravan was open, de kastdeur was vernield. De computer en het scherm waren weg, evenals de kleren. Ze moesten een auto hebben gehad, maar ik had er nooit een bij de caravan gezien. Ik had nooit naar een auto gevraagd. Ik had heel wat niet gevraagd, gedacht of gedaan.
Maar aan één ding had ik wel aandacht besteed. Aan de pakjes. Dat zei ik tegen mezelf terwijl ik naar de Dodge liep. Aan de pakjes had ik gedacht, ik was misschien niet erg slim, maar wel net iets slimmer dan de Bows hadden verwacht.

Toen ik in de Dodge naar het zuiden reed keek ik af en toe naar de boodschappentas op de stoel naast me. Er zaten negen pakjes in van een halve kilo, allemaal in het originele plastic, allemaal gaaf, niet een had een gaatje dat met cellotape dicht was geplakt. Ik had zin om te neuriën, of te zingen. Wat zouden de Bows doen met de negen pakjes zeeppoeder die ik had volgeplakt met ducttape, vroeg ik me af. En wat zou ik doen met vierenhalve kilo cocaïne? Ergens moest iemand zijn die er geld voor over had. Een vrouw in Ardmore vlakbij South Bend die mijn foto bezat misschien, of twee bejaarden die op weg waren naar een nieuw trailerpark.

 

Meer over Jeff Meeks in 'De Voeder' en 'Duivelsrug' (De Geus) en in 'De Charlsville Jackpot'  en 'Een zaak van vrouwen' (De Bezige Bij/Cargo)


  

Twee voor de prijs van nul

 

Het was een mooi stukje werk. Rockne Paradise knikte terwijl hij naar het lichaam keek. Snel en onopvallend. Hij zou terug kunnen gaan naar zijn motel, een biertje kunnen drinken en een kijkje komen nemen als hij sirenes hoorde. Niemand zou hem verdenken. Niemand zou hem aanspreken. Hij zou een kleine, onopvallende man zijn tussen nieuwsgierigen achter een politielint die naar een lichaam keken dat naast een boomstam lag. Een metertje doorsnee schatte Rockne, twintig meter lang, minstens, ze hadden grote bomen in Oregon. Rockne dacht dat hij maar een paar takken nodig had om James Elstak te verbergen. Hij keek om zich heen. Een bos vol reusachtige loofbomen links en achter, naaldbomen rechts, het stadje Astoria voor hem. Op een meter of vierhonderd, schatte Rockne. Hij vroeg zich af waarom Elstak zover was afgedwaald. Hij was van het cruiseschip naar Astoria gewandeld, samen met honderden passagiers. Hij had door de enige winkelstraat gelopen met een echtpaar van in de zeventig dat de boekwinkel binnen was gegaan om koffie te drinken. Het Heritage museum had hem niet meer dan drie minuten opgehouden, daarna was hij van het stadje weggelopen richting bossen. Rockne had nooit eerder iemand gezien die het hem zo makkelijk had gemaakt. Of hij er om vroeg.

Dat gevoel had Rockne al toen hij besloot een praatje met Elstak te maken.

‘Mooie dag,’ zei hij toen hij de man had ingehaald.

Elstak knikte, maar zei niets, waarna Rockne hem nog eens goed bekeek. Te dikke vijftiger met rode wangen vol blauwe adertjes, een neus die paars kleurde. Misschien omdat het fris was, maar Rockne gokte op drank.

Je drinkt veel op een cruiseschip, dacht hij. Dat zeggen ze tenminste. Veel eten, meer drinken.

Hij probeerde het nog een keer. ‘Ik zei: Een mooie dag.’

Dit keer keek Elstak hem aan. ‘U woont hier?’

‘Het oosten. Baltimore, vlak bij Chesapeake Bay.’

‘U bent ook van het schip?’

‘Eerste keer. Mijn vrouw zei: Laten we klein beginnen. Eerst een cruise van vier dagen, als het bevalt dan gaan we langer.’

Elstak keek om zich heen. ‘Uw vrouw is ...’

‘Op het schip gebleven. Ze vindt het daar leuk. Ik hou van wandelen. Bossen. U ook, zo te zien.’

Elstak knikte en liep door, iets sneller nu.

Rockne bleef naast hem lopen, maar hij kreeg iets ongemakkelijks over zich, iets misplaatsts, het was bovendien riskant. Rockne zag niemand, maar hij had bossen nooit vertrouwd. Er liepen beesten in en soms mensen, je wist het nooit.

Hij vroeg Elstak stil te staan en naar boven te kijken. ‘Die boom daar, wat is dat toch voor een vogel?’

Elstak begon aan een antwoord toen Rockne sloeg. Eén klap met een koevoet tegen de slaap en hij was klaar met zijn opdracht.

Nooit zo’n makkelijke klant gehad, dacht hij, terwijl hij naar Elstak keek. Het is bijna te snel verdiend. Hij keek op zijn horloge.

Over een uur zou hij de Columbia rivier over kunnen zijn, over een paar uur bij een station, voor het einde van de middag in Seattle, morgen thuis. Het zou kunnen. Dit keer wel. Het cruiseschip zou uitvaren, want een cruiseschip wacht op niemand. Iemand zou Elstak missen, maar dat kon uren duren, en eerst zouden ze op het schip zoeken. Pas daarna zouden ze de politie bellen, met een beetje geluk als het al donker was. Het was de vraag of de politie aan moord zou denken. Passagier gevallen, hoofd gestoten tegen boom, pech gehad.

Rockne hurkte naast Elstak en legde twee vingers tegen zijn keel. Dood, er was geen twijfel mogelijk. Als hij had geweten dat Elstak het hem zo gemakkelijk zou maken had hij geen kamer voor drie dagen genomen, dan was hij naar huis gegaan om te zien of er twintigduizend dollar was overgemaakt.

Niet gemakzuchtig worden, dacht Rockne, terwijl hij overeind kwam, nooit een plan wijzigen als er geen noodzaak is. Hij klopte zijn broekspijpen af en liep met een omweg terug naar het Elliott hotel.

 

‘Je hebt niet betaald,’ zei Rockne. Hij keek over het grote bureau naar Paul Mitchell. ‘Vier dagen geleden had ik geld moeten hebben. Ik kom het halen.’

Hij zag het magere gezicht van Mitchell verstrakken. ‘Hier. In mijn kantoor.’

Rockne haalde zijn schouders op. ‘Was je het rekeningnummer vergeten?’

Mitchell ging staan en liep naar het raam.

Twee meter, dacht Rockne, waarom zou een man die van zichzelf een meter negentig is schoenen dragen met dikke zolen en hoge hakken? Hij keek naar het grijze colbert zonder kreukels, naar de grijze broek. Geen kont, dacht hij, moet je die broek zien.

‘Toen ik jouw, eh, tussenpersoon belde ...’

‘Middelman,’ zei Rockne. ‘Zo noemt hij zichzelf het liefst, middelman belde.’

‘Toen ik jouw middelman belde zei hij dat ik niets van je zou horen. Onder geen beding.’

‘Zei hij dat?’

Mitchell draaide zich naar Rockne toe en maakte een ongeduldig gebaar. ‘De assistent van Faulk zei het. Hank Faulk?’

‘Henry.’

‘Henry Faulk. Zijn assistent, of zijn secretaris, misschien zijn hulpje.’

Moto, dacht Rockne, ik zou hem geen hulpje noemen waar hij bij is.

‘Hij zei dat jij goed was in je werk en dat ik niets van je zou horen,’ zei Mitchell. ‘Nou sta je in mijn kantoor.’

‘Je zou binnen 24 uur betalen. Twintigduizend naar een rekening in Nassau.’

Mitchell ging zitten en trok een la open en rommelde er in. ‘Hier,’ zei hij terwijl hij iets op het bureaublad legde. ‘Foto’s, kijk maar.’

Rockne bewoog zich niet. ‘Wat staat er op?’

‘Dat zie je wel,’ zei Mitchell.

Rockne keek naar de hand die weer naar de la ging, omhoog kwam, een pistool vasthield. ‘Ik zou het niet doen,’ zei hij, terwijl hij zijn buik zover naar voren duwde dat zijn jasje openviel en de kolf van een wapen zichtbaar werd. ‘Ik ben handiger met een pistool. Het is mijn vak. Ik denk dat ik het eerst schiet. Jij doet me niet veel, maar ik heb medelijden met je secretaresse.’

Mitchell keek met opgetrokken wenkbrauwen naar de deur. ‘Judy?’

‘Ze heeft me gezien. Als ik jou neerschiet kan ik haar niet laten gaan. Leg je pistool weg en hou de foto’s omhoog, ik heb goede ogen.’

Mitchell legde het pistool terug in de la en hield een voor een drie foto’s omhoog. Op alle drie waren James Elstak en Rockne te zien. In de winkelstraat van Astoria, bij het Heritage museum, in het bos bij de boomstam.

‘Hoe lang heb je ze al?’ vroeg Rockne.

‘Te lang,’ zei Mitchell. ‘Binnen een dag nadat het cruiseschip uitvoer zonder Elstak. Ik zou dus niets horen, zei het hulpje van Faulk. Niets van jou, niets van wie dan ook. Nu heb ik foto’s van iemand die weet dat hij bij mij moet zijn en nu zit jij in mijn kantoor. Wat doet Faulk met de namen van zijn klanten, ze adverteren?’

‘Je hebt hem ook niet betaald,’ zei Rockne. ‘Daar houdt hij niet van.’

Mitchell balde zijn vuisten tot de knokkels wit werden. ‘Twintig procent van nul dollar is nul. Hij heeft zich niet aan zijn woord gehouden dus waarom zou ik hem geld geven?’

Rockne keek om zich heen. ‘Omdat je hier goed zit en als je dood bent niet meer?’ Hij keek naar het Capitool van de staat Minnesota waarvan de koepel schitterde in de zon. Rechts lag de Mississippi, hij wist zeker dat de rivier vanuit het kantoor te zien zou zijn. ‘Heet je echt Paul of noem je je zo omdat je in St. Paul woont?’ vroeg hij.

‘Hè?’ zei Mitchell.

‘Laat maar,’ zei Rockne. ‘Faulk kreeg zijn vierduizend dollar niet. Hij zei tegen me: als jij je geld gaat halen neem dat van mij dan ook mee.’

Mitchell trok een gezicht. ‘Gaat dat zo bij jullie. Veel beloven, er een rommeltje van maken en dan dreigen. Weet je hoeveel ik al betaald heb.’

Rockne zei niets.

‘Tienduizend,’ zei Mitchell. ‘Maar er gaat meer komen. Dat zei hij toen hij belde.’

‘Wie belde.’

Mitchell deed iets met zijn onderkaak, Rockne hoorde spieren kraken. ‘Hij. De fotograaf. Iemand. Het waren dure foto’s, zei hij, en of ik maar geld naar een rekening in het buitenland wilde sturen.’

‘Nassau?’

‘Europa. Zwitserland.’

‘Je hebt betaald?’

Mitchell knikte.

‘Hem wel, maar mij en Faulk niet.’

Mitchell knikte opnieuw.

‘Omdat je dacht: foto’s doen meer pijn dan de kogels van een huurmoordenaar?’

Mitchell moest slikken om zijn stem op gang te helpen, maar hij keek nog steeds niet zo angstig als Rockne had verwacht. ‘Omdat ik tijd wilde hebben om na te denken,’ zei hij.

‘Over de foto’s?’

‘Over jou, en Faulk, en Elstak. Over het feit dat iemand mij via de foto’s met jou heeft verbonden.’

‘Of jou met Elstak heeft verbonden.’

‘Ja,’ zei Mitchell. ‘Precies dat wat nooit had mogen gebeuren. We gaan hem morgen begraven, Elstak. Ik hou een toespraak. Het kan zijn dat ik een arm om zijn vrouw sla als ze het te kwaad krijgt. Dat vind ik meer dan genoeg verbondenheid.’

Rockne ging staan. ‘Als je me nu 24.000 geeft dan ben je van me af.’

Mitchell ging ook staan, kaarsrecht, het hoofd een beetje opzij. Rockne moest omhoog kijken om zijn gezicht te zien. Daarom draagt Mitchell schoenen met plateauzolen, dacht hij, hij is trots op zijn profiel, vooral op het aandeel dat zijn kin er in heeft.

‘Je hebt er een puinhoop van gemaakt,’ zei Mitchell. ‘Jij en Faulk. Ik betaal zogauw ik hoor dat er nooit een nieuwe foto komt, geen dag eerder.’

‘Je bedoelt dat ik uit moet zoeken wie de fotograaf is?’

‘Wat anders?’ zei Mitchell. ‘Zo moeilijk kan het niet zijn. De man heeft een halve dag achter je kont aangelopen.’

 

In de auto bekeek Rockne de foto’s zorgvuldig. In de winkelstraat stond hij net in de zon. Bij het museum liep hij achter een kleine vrouw. In het bos stond hij naast de liggende Elstak. Op alle drie was een gezicht te zien dat op het zijne leek. Rond gezicht met diepe lijnen in het voorhoofd en langs de neus, een smalle mond en wangen die glommen. De schedel was iets te rond, de ogen hadden net niet de goede vorm en de kin was te breed, maar dat zag je pas als je langer keek, Rockne had bijna een halve minuut nodig om de verschillen te zien. Op de achterkant van de laatste foto stond in gestempelde letters: Astoria 2 uur 20. Rockne dacht na over de tijd. Hij had niet op zijn horloge gekeken toen Elstak was neergegaan, maar het was later geweest dan tien voor half drie. Niet veel later, een kwartier hooguit. Als de tijd achterop de foto iets betekende dan had hij geen idee wat het kon zijn, maar hij wist zeker dat geen rechercheur of officier van justitie op een kwartier zou kijken. Elke foto was een aanklacht. Het baarde Rockne zorgen, maar waar hij bibbers van kreeg was dat zijn baardje was verdwenen, net als het Oregonpetje en het brilletje met de zilveren rand. Als hij aan het werk was zorgde hij altijd voor vermomming. Niet te veel, niet te opvallend, maar voldoende om getuigen van de wijs te brengen. Op de foto’s was de vermomming verdwenen en als hij niet te nauw keek zag hij zichzelf. Rockne voelde zijn maag krampen.

 

Na een dag kende Rockne St. Paul  en na een week Mitchell. St. Paul werd wakker tussen acht en negen in de ochtend en ging slapen tussen vijf en zes. ’s Nachts en in de weekeinden was er geen St. Paul. Er waren straten, er waren gebouwen, er was een rivier en er waren beelden van de tekenstrip The Peanuts. Maar er was geen stad. Daarvoor moest je naar Minneapolis.

Paul Mitchell was begonnen als bevrachter. Hij had het goed gedaan op de beurs en had het bedrijf waar hij voor werkte gekocht. De naam werd Pauls St. Paul Ltd en Mitchell werd de directeur, met een kantoor met uitzicht op Capitool en Mississippi, een huis van drie verdiepingen met een overdekt zwembad in de tuin en een vrouw naar wie je twee keer keek, minstens. Rockne zag Mitchells vrouw twee maal toen ze door haar man in Minneapolis werd afgezet bij een gebouw waarin cursussen werden gegeven, van vrije expressie tot tuinarchitectuur, en één keer toen ze met twee andere vrouwen naar een theater ging. Alledrie de keren had Rockne gefascineerd naar haar gekeken, ze was lang en slank en had een kapsel dat afweek van wat Rockne ooit had gezien: lang haar dat half voor haar gezicht hing, een beetje als een pony die aan één kant lang was geworden. Ze werd er in Rocknes ogen niet mooier van, maar wel mysterieuzer, ze was een vrouw die je alleen in films zag, vond hij, Rita Hayworth, maar dan mooi.

James Elstak was een andere zaak. Een bevlogen financieel adviseur, had de dag na zijn begrafenis in de St. Paul Pioneer gestaan. Een rustige man die leefde voor zijn werk, en voor de gemeenschap, de stad en de kerk. Rockne kreeg de indruk dat hij de aardigste inwoner van St. Paul had neergeslagen, in elk geval de aardigste financieel adviseur. Mitchell had een grafrede gehouden, maar uit het krantenverslag werd niet duidelijk waarom. Na de begrafenis liet hij zich niet in de buurt van Elstaks huis zien. Rockne zag elke dag mannen naar binnen gaan, maar Mitchell was er niet bij. Toen Rockne er van overtuigd was dat het aantal mannen dat Elstaks huis in ging alleen verklaard kon worden door de aard van het beroep van diens weduwe -prostituee, waarzegster, masseuse; Rockne had geen keuze kunnen maken- zag hij haar naar buiten komen. In een invalidenwagentje dat werd geduwd door de twee mannen die Rockne een uur tevoren bij het huis had gezien. De mannen waren nu gekleed in het wit, de vrouw was bijna onzichtbaar onder en achter dekens, een jas en een hoofddoek. Rockne begreep waarom Elstak in Astoria in zijn eentje was gaan wandelen, maar meer stak hij niet op.

In een week St. Paul vond hij niets dat hij in verband kon brengen met de wens van Mitchell om Elstak te laten vermoorden en hij wist dat hij ook geen verband zou vinden. Hij was huurmoordenaar, geen privé-detective. Hij was niet geschikt om in een auto te zitten, naar een huis te kijken en diepdoordachte conclusies te trekken.

Toen hij genoeg had van St. Paul zegde hij zijn kamer in het Days Inn op en ging hij terug naar Astoria.

 

Op de deur stond The Compleat Photographer, achter de kleine toonbank stond een vrouw die er moe uitzag. Ze was ouder dan Rockne en had het verweerde, opgerode gezicht dat bij het stadje leek te horen. Wind, dacht Rockne, veel wind en zout van de oceaan, al de gezichten zijn gezoutstraald. Hij glimlachte en liet de foto zien die was gemaakt bij het museum. Hij had zichzelf er afgescheurd, evenals de benen van Elstak. ‘Herkent u deze man?’

De vrouw ging een stukje achteruit. ‘Bent u van de politie?’

‘Van de familie,’ zei Rockne. ‘We zoeken foto’s waar James opstaat. Millie heeft ze verscheurd omdat ze over haar toeren was, maar nu heeft ze spijt.’

‘Millie?’ De vrouw keek argwanend. ‘Over wie hebt u het eigenlijk?’

‘Zijn vrouw,’ zei Rockne. ‘Sinds ze invalide is gebruikt ze de naam die ze als meisje het mooist vond. Mildred. Millie.’

De vrouw zuchtte. ‘Ik dacht al. In de krant stond Mollie.’

Dat was het, dacht Rockne, waarom onthoud ik nooit namen. ‘Millie vindt ze mooier. Ze wil alle foto’s waar James op staat, en vrienden die ook op de cruise waren. In feite wil ze alle foto’s die ze kan krijgen.’ Hij zuchtte. ‘Ik snap niet waar het goed voor is, maar ....’

De vrouw knikte. ‘Het is goed voor haar, waarschijnlijk.’ Ze zuchtte met Rockne mee. ‘Het is me wat, ben je invalide, wordt je man vermoord als hij naar het kamp loopt.’

Rockne probeerde niet verrast te kijken. ‘Kamp?’

‘Wist u dat niet. Meneer Elstak was op weg naar het kamp. Daar zaten vorig jaar nog houthakkers, maar een paar weken geleden zijn er milieufiguren naartoe gegaan.’ Ze sprak het woord milieufiguren uit of ze moest overgeven. ‘Volgens de politie zou hij worden opgehaald, maar blijkbaar is hij gaan lopen. Wie doet dat nou, dat hele eind lopen.’

‘Wat moest hij daar?’

De vrouw keek met grote ogen. ‘Weet u dat ook niet? U bent toch familie? Hun dochter zat daar.’

Rockne hoopte dat hij niet rood stond te worden. ‘Ik hoorde dat ze daar al weg was.’ Hij probeerde te kijken of hij een geheimpje deelde. ‘James en Millie zijn niet van het milieu. Ik denk dat ze daarom een leugentje vertelden. Hebt u foto’s?’

‘De meeste zijn gemaakt bij het schip,’ zei de vrouw. ‘En ze fotograferen elkaar, die passagiers. Met die digitale dingen knipt iedereen maar raak.’ Ze opende een la. ‘Het is dat sommige mensen goede foto’s willen anders was ik brodeloos.’ Ze legde een stapel foto’s op de toonbank. ‘Ik heb op drie plaatsen gewerkt en alles op borden geprikt op de kade, vlakbij het schip. Een kwart verkoop je, de rest laten ze gewoon hangen. Het was nog een wonder dat ik door drie mensen ben gebeld die wilden dat ik foto’s opstuurde.’

‘Foto’s van James Elstak bedoelt u?’

De vrouw schudde het hoofd. ‘Andere foto’s.’ Ze pakte een foto en draaide haar om. ‘Iedereen die ik fotografeer geef ik een briefje met een nummer. Achterop de foto’s staat dat nummer, kijk maar. Als iemand belt vraagt hij om nummers. Meneer Elstak stond op een van de foto’s, maar dat was toeval.’ Ze bekeek de foto’s en legde er een apart. ‘Deze was het. Daar staat meneer Elstak, maar het ging om deze mevrouw, ik heb ernaar gevraagd. Ze wilden drie grote afdrukken. Vijftien dollar per stuk. Dat zijn klanten waar ik iets aan heb.’

‘Ja,’ zei Rockne. ‘Daar zou u er meer van moeten hebben.’ Hij wilde vragen waar de foto’s naartoe moesten, maar durfde niet. Het was het soort vraag dat blijft hangen en waardoor je, voor je het weet, met andere ogen wordt bekeken. ‘Mag ik ze even zien?’

‘U gaat uw gang maar,’ zei de vrouw. ‘Heb ik ze niet helemaal voor niks gemaakt.’

Op drie foto’s zag Rockne zichzelf terug, met baard, bril en pet. De vrouw zag blijkbaar de gelijkenis niet, want ze regeerde niet toen Rockne naar zichzelf keek. Op vijf foto’s stond Elstak. Er was niet een foto waar Rockne samen met Elstak op stond.

‘Hoeveel kosten ze?’ vroeg hij.

De vrouw trok een grimas. ‘Normaal tien dollar. Maar nu, voor die arme vrouw, geef maar twee per foto. Wat ik niet verkoop gooi ik over een poosje toch weg.’

Rockne legde tien biljetten van 20 dollar op tafel. ‘Als ik ze eens allemaal meenam? Millie heeft de mensen beschreven met wie ze op het schip aan tafel zat, maar ik pik ze er niet uit.’

‘Wat doet u met de foto’s van de mensen die u niet kent?’

‘Gooi ik weg,’ zei Rockne. ‘Wat moet ik ermee, of Millie?’

‘Echt?’

Rockne zag dat de vrouw het meer aan zichzelf vroeg dan aan hem en hij zei niets.

‘Goed,’ zei de vrouw. ‘Het hoort eigenlijk niet, maar vooruit. Dat arme mens, misschien heeft ze steun aan een paar van de foto’s, je weet het nooit. Snap je het nou?’

‘Van James, bedoelt u?’

‘Dat zo’n man zomaar dood wordt geslagen op een bosweg naar een kamp met milieukinderen?’

‘Millie hoopt nog steeds dat het misschien een ongeluk was.’

‘Dat zegt de politie ook,’ zei de vrouw, ‘maar wij in Astoria weten wel beter. Ik heb nog nooit gehoord van een ingedeukte schedel na een val tegen een boomstam, vooral niet als de stam links ligt en de deuk rechts zit.’

Rockne stopte de foto’s in zijn jaszak en liep naar buiten terwijl hij zich in gedachten uitschold.

 

In het Days Inn bekeek Rockne de foto’s tot hij het gevoel had dat hij ze kon uittekenen. Hij vergeleek ze met de drie foto’s die hij van Mitchell had gekregen en hij zag Elstak en zichzelf. Zonder petje, baard en bril op de foto’s van Mitchell, met op de foto’s van de vrouw in Astoria. Het betekende iets, dat was duidelijk. Hij dacht na over een valstrik, maar kwam er geen stap verder mee.

Misschien moet ik Henry Faulk de zaak laten uitzoeken, dacht Rockne toen hij geen foto meer kon zien, misschien moet ik ophouden met onderzoeker te spelen, het is mijn vak niet, ik wil weer aan het werk, mijn werk.

Hij was bezig zijn koffertje in te pakken toen Judy, de secretaresse van Mitchell, belde. Of hij langs wilde komen.

‘Ja,’ zei Rockne, en hij schoof met een voet het koffertje onder het bed.

 

‘Mooi.’ Rockne wees naar de foto van een vrouw met kort haar die achter het bureau van de secretaresse hing, naast de deur van Mitchells kantoor.

‘Ja,’ zei Judy zonder dat ze zich omdraaide.

‘Hing die de vorige keer niet tegenover je?’

‘Meneer Mitchell vond hem hier passender,’ zei Judy stijf.

‘Zijn vrouw?’

Judy knikte.

‘Mooi,’ zei Rockne opnieuw. ‘De foto bedoel ik. Van vrouwen weet ik niet zoveel.’

Het gezicht van Judy werd minder strak. ‘De foto?’

‘De kwaliteit, de kleur, hoe krijg je het zo mooi afgedrukt.’

 Judy knikte. ‘Ze is er goed in.’

‘Mitchells vrouw?’ Rockne dacht aan de rouwadvertentie. ‘Liz?

Eindelijk toonde Judy belangstelling. ‘U kent haar?’

‘Eén keer gezien,’ zei Rockne. ‘In de schouwburg. Ze had het haar ...’ Hij maakte een gebaar. ‘Heel lang, en schuin, hoe noem je dat, apart.’

Judy knikte. ‘Ze had het liever anders gehad.’

Rockne trok een meelevend gezicht. ‘O, ja? Gaat het niet om een nieuwe mode?’

‘Nee,’ zei Judy. ‘Niet bepaald.’

Rockne kreeg de indruk dat ze meer wilde zeggen, maar de telefoon ging.

‘Gaat u maar naar binnen, meneer Andrews,’ zei Judy.

 

‘Je was weg,’ zei Mitchell. Hij stond in volle lengte achter zijn bureau en keek beschuldigend.

‘Ik was aan het werk,’ zei Rockne. ‘Dat doe ik soms, werken. Mijn echte werk.’ Hij zag het gezicht van Mitchell verstrakken. ‘Ik had me ingeschreven als Andrews, maar je wist me te vinden.’

‘Days Inn,’ zei Mitchell. ‘Zo moeilijk was het niet. Hij belde, de vent van de foto’s, en hij wilde nog een keer tienduizend. De dag erna kreeg ik een nieuwe foto. Nog geen uur later zei hij dat hij ook geld van jou wilde. Twintigduizend. Ik heb Judy naar het Days Inn laten bellen, maar je was weg.’

‘Van mij?’ zei Rockne. ‘Hij wilde geld van mij?’

‘Twintigduizend. Vanmorgen vroeg hij waarom je niet had betaald. Ik zei dat je weg was en toen zei hij: betaal jij dan maar voor hem.’

‘Noemde hij mijn naam?’

Mitchell ging zitten. ‘Als hij je had gekend dan had hij je zelf wel gebeld, zou ik denken. Hij noemde je moordenaar dus ik nam aan dat hij jou bedoelde. Ik heb betaald, wat moest ik anders?’ Hij stak een hand uit. ‘Ik krijg twintigduizend van je.’

‘Weer Zwitserland?’

Mitchell keek of hij de vraag niet begreep.

‘Het geld,’ zei Rockne, ‘moest dat weer naar Zwitserland.’

‘Zelfde nummer.’

Rockne liep naar het bureau. ‘Geef me het nummer maar. En de foto.’

Mitchell hief afwerend zijn handen. ‘Ik heb al betaald. Ik krijg geld van jou, aan het nummer heb je niks.’

‘Geld,’ zei Rockne. ‘Ik werk aan een klus in opdracht van jou en daarna betaal ik jou. Het vak wordt steeds gekker. Waar is die foto?’

Rockne herkende de foto meteen. Ze was een kopie van een van de foto’s die hij mee had genomen uit Astoria, gemaakt in de winkelstraat, Elstak bijna in het midden, pratend met het oudere echtpaar waar hij mee was opgelopen. Op de foto die Rockne had meegenomen was links de gevel van een winkel in ijzerwaren te zien, op de foto die hij in zijn hand had stond hij zelf en ditmaal waren de schedel en de kin precies goed. Hoe het zat met de ogen kon hij niet zien, hij stond er en profile op. Ik heb lang niet zo’n mooi profiel als Mitchell, dacht hij, in vergelijking met hem heb ik een kin van niks.

‘Al een idee wie de foto heeft gestuurd?’ vroeg hij.

‘Ik dacht dat jij daar mee bezig was,’ zei Mitchell.

‘Ben ik ook,’ zei Rockne.

‘Begint het ergens op de lijken? Ik heb in totaal veertigduizend dollar betaald, dit moet niet lang zo doorgaan.’

‘Nee,’ zei Rockne, ‘dat lijkt me ook niet. Ik hoop voor jou dat James Elstak je meer oplevert nu hij dood is, anders had je hem beter voor zijn invalide vrouw kunnen laten zorgen.’

Mitchell hield zijn gezicht in de plooi, maar Rockne zag dat het moeite kostte.

‘Als de vent van de foto’s nog een keer belt vraag dan of hij het echt slim vindt om iemand kwaad te maken die een beroep heeft zoals ik,’ zei hij.

 

Ik had de vrouw in de fotozaak in Astoria toch moeten vragen naar welke adressen ze foto’s heeft gestuurd, dacht Rockne. Astoria spookte door zijn hoofd en verdrong alle andere punten van zorg. Na meer dan een etmaal ongericht piekeren kwam hij in beweging. Hij zat uren bij het huis van Elstak, zag mannen naar binnen gaan en Elstaks vrouw in haar invalidenwagen naar buiten komen. Toen hij zijn nieuwsgierigheid niet langer kon bedwingen liep hij naar de deur. ‘Taxaties niet voor elf uur’, stond op een stuk papier achter het raampje in de deur. Rockne sloeg zich net niet tegen het hoofd toen hij doorliep. Taxaties. Niks prostitutie, of waarzegster. Elstaks vrouw was van plan te verhuizen en liet de inboedel taxeren voor verkoop of veiling. Dat kon zonder hem, besloot hij en hij richtte zich op Mitchell. Terwijl hij wachtte dacht hij aan foto’s, aan manipulaties, aan de vrouw in de fotowinkel in Astoria. Hij zou teruggaan en haar naar de adressen vragen als het echt niet anders kon, maar niet nu. Hoe meer tijd er verliep tussen de moord op Elstak en Rocknes aanwezigheid in Astoria hoe beter. Er waren moordenaars die teruggingen naar de plek van de misdaad. Maar geen drie keer, drie keer was vragen om moeilijkheden. Bellen was een mogelijkheid, maar Rockne had geen idee wat hij moest zeggen zonder dat het idioot zou klinken. ‘O, ja, weet u wat ik vergeten was? Naar wie hebt u foto’s gestuurd die u hebt gemaakt op de dag dat James Elstak werd vermoord?’ Hij wist dat hij het nooit zo uit zijn mond zou kunnen krijgen dat hij iets anders zou horen dan hoongelach. Astoria moest wachten, eerst kwamen de vragen waarop het antwoord in Minnesota lag.

 

Het gebouw in Minneapolis waarin cursussen werden gegeven heette Centrum voor Expressie en Ontwikkeling en had twee ingangen op de begane grond en drie via de luchtbruggen waarmee bijna alle gebouwen in het centrum met elkaar verbonden waren. Bij elke ingang stond een veiligheidsbeambte zich te vervelen, in de hal en de gangen naar de lokalen liepen tientallen mensen, de meeste gekleed in een trui, uitgezakte spijkerbroek en schoenen zonder sokken. Het alternatief voor de trui was een ruimvallend shirt waaronder een ander shirt zat. De meerderheid van de mannen had een baard, een snor, of stoppels, de meeste vrouwen hadden haar dat blauw was of groen met wat rood. Rockne had niet het gevoel dat hij overdressed was toen hij in een spiegel naar zichzelf keek: petje met het opschrift Minnesota, plaksnor, brede bovenkaak door de watten tegen zijn kiezen. Met zijn spijkerbroek en houthakkersshirt zat hij goed. In het toilet trok hij zijn sokken uit. Zijn schoenen zaten beroerd maar hij paste nu helemaal in het algemene beeld, ook wat de leeftijd betrof. Twintigers en dertigers waren er niet, expressie en ontwikkeling in Minneapolis was een zaak voor veertig-plussers. Rockne maakte een rondje en keek naar de bordjes op de deuren: schilderkunst, tuinarchitectuur, toneel, tekenen, beeldhouwen, rietvlechten, dansen, creatief timmeren, fotografie, yoga, zelfreflectie, aura zoeken/kijken, groeien in zelfbewustzijn. Hij stond lang stil voor het lokaal met op de deur ‘groeien in zelfbewustzijn’. Het was een cursus die hij kon gebruiken. Sinds Mitchell hem de foto’s had gegeven zat het met zijn zelfbewustzijn niet lekker. Naar binnen gaan durfde hij niet en toen hij een groepje mensen in zijn richting zag lopen maakte hij dat hij wegkwam. Hij holde niet en was trots op zijn zelfbeheersing. Die was in elk geval in orde.

 

Liz Mitchell werd door haar man begeleid tot in de hal. Ze was gekleed volgens het protocol: twee shirts, oude spijkerbroek, schoenen zonder sokken. Wat uit de toon viel waren de lange haren die voor de linkerhelft van haar gezicht hingen, Rockne had de indruk dat ze het hoofd scheef hield om zoveel mogelijk gelaat te bedekken. Ze gaf haar man geen zoen, maar maakte zonder te kijken een gebaar en liep naar de trap.

Rockne liep naar beneden terwijl Liz naar boven ging. Toen ze bijna op gelijke hoogte waren liet Rockne een folder vallen. Hij mompelde iets, bukte en maakte een beweging of hij zijn evenwicht verloor. ‘Sorry,’ zei hij, terwijl hij schuin naar boven keek, naar de linkerhelft en het grootste deel van de rechterhelft met een vlek van de wang tot het haar. Wijnvlek, dacht Rockne, misschien brandvlek. ‘Excuus,’ zei hij, terwijl hij de watten voelde schuiven. ‘Sorry, stom.’ De vrouw mompelde iets en liep door. Rockne ging beneden op een bank zitten, spuugde de watten in zijn hand en keek naar Liz die rechtsaf sloeg. Afdeling fotografie, dacht hij, ik weet nu wat de secretaresse van Mitchell bedoelde toen ze zei dat al dat haar voor haar gezicht niets te maken had met de nieuwste mode. Hij had de neiging zichzelf op de borst te kloppen. Liz had haar eigen foto’s gemanipuleerd, dacht hij, ze is op weg naar de foto-afdeling, ik weet wel zeker dat ik niet naar Astoria hoef.

Hij voelde een last van zich afvallen.

 

De cursus duurde anderhalf uur en Liz Mitchell was de laatste die het lokaal uitkwam, minstens vijf minuten na de andere cursisten. Haar gezicht was rood en Rockne dacht dat ze hijgde toen ze langs hem liep. In het lokaal stond een man van in de veertig, rond gezicht, haar in een paardenstaart, ring in het rechteroor, een brede mond en een kin waar Mitchell zich niet voor zou schamen. Hij stond wijdbeens achter een tafeltje, handen in de zakken van een corduroy colbert, genoeg voorover om te laten zien hoe lang zijn gouden halsketting was. Hij keek naar foto’s die op de tafel lagen en Rockne moest drie keer kuchen voor de man opkeek.

‘U bent de cursusleider?’ vroeg Rockne. Op een bord tegen de muur achter de man stond de naam Bruce Jonathon. ‘Cursusleider Jonathon?’

De man knikte en focuste eindelijk op Rockne. ‘Hé,’ zei hij.

Rockne zag hem een stapje achteruit doen en slikken. ‘U bent ...’

‘Inderdaad,’ zei Rockne.

Jonathon trok zijn handen uit zijn zakken en kruiste ze voor zijn borst. ‘Ik dacht ...’

Rockne knikte opnieuw. Vriendelijker kijken kon hij niet. Alles aan hem drukte vertrouwen uit. Dat hoopte hij tenminste, hij wist dat hij het slecht zou doen op de toneelcursus.

‘Die snor,’ zei Jonathon.

Rockne drukte de snor vaster terwijl hij stralend bleef kijken. ‘Een gewoonte,’ zei hij. ‘Ik hou van verkleden, altijd gehad.’

Jonathon pakte een stoel en ging zitten. ‘Hij zei ...’

Rockne sleepte een stoel naar het tafeltje. ‘Over die ‘hij’ gaan we het even hebben,’ zei hij.

 

‘We moeten een afspraak maken,’ zei Rockne.

Hij hoorde Mitchell gapen. ‘Weet je hoe laat het is.’

Rockne keek op zijn horloge. ‘Ja,’ zei hij. ‘Ik dacht: hij zal wel blij zijn als hij hoort dat hij zijn geld terugkrijgt.’

‘Terug?’ Argwaan verloor het van begerigheid. ‘Mijn geld? Terug?’

‘Ons geld,’ zei Rockne. ‘We maken een goede kans als we opschieten. Morgenochtend?’

‘Ja,’ zei Mitchell. Hij klonk wakker. ‘Ik zal tegen Judy zeggen dat ze je meteen binnen moet brengen.’

 

‘Wat krijgen we ..,’ zei Paul Mitchell.

Rockne duwde hem achteruit. ‘Ik was in de buurt dus ik dacht: waarom zullen we tot morgen wachten met het goede nieuws.’ Hij gaf de deur een zet met een bil en hoorde hem in de slot vallen. ‘Wat is slaap als je het over geld kunt hebben.’

‘Ja,’ zei Mitchell onzeker. ‘Wat zie je er uit.’

Rockne duwde met zijn tong de voorzettanden naar boven die hij een kwartier eerder had ingedaan. Als hij zeker wist dat Mitchell geen personeel had zou hij ze er meteen uithalen. Hij trok de gebreide muts over zijn ogen. ‘In verband met de buren,’ zei hij. ‘Je weet nooit wie er nieuwsgierig is en ik heb camera’s zien hangen. Heb je een werkkamer?’

Mitchell wees sprakeloos en bleef staan tot Rockne hem een duw gaf. ‘Loop maar voorop. Als je daar een pistool hebt, net zoals in het kantoor, zeg het dan meteen, dat scheelt ellende.’

‘Ellende?’ Het klonk of Mitchell het liefst wilde huilen.

‘Schieten,’ zei Rockne terwijl hij de kolf van zijn Glock liet zien. ‘Schieten is ellende, voor jou meer dan voor mij. Zullen we erbij gaan zitten of wil je eerst Liz roepen?’

‘Liz?’

Mitchell klonk of hij van zijn stuk was en daarom zei Rockne niets over het nut van herhalingen. Hij duwde Mitchell op een stoel, haalde zijn voorzettanden uit zijn mond en ging achter het bureau zitten.

‘Photoshop,’ zei hij. ‘Ken je dat? Ik alleen van naam. Tot vanavond. Het is laat geworden omdat ik een cursus heb gehad van Bruce Jonathon? Ken je die? Hij rommelt met je vrouw en hij werkt voor jou.’ Hij wachtte tot Mitchell was uitgehijgd, legde het pistool op het bureaublad en zei: ‘Bij nader inzien, geef me eerst dertigduizend dollar, twintigduizend voor Elstak, tienduizend voor mijn onkosten en de provisie van Henry Faulk. Geef het geld maar nu het nog kan.’

‘Nog kan?’

Rockne knikte tevreden. Hij was geen roker, maar hij had zin in een sigaar. Dit was het soort situatie waar sigarenrook bij hoorde. Hij hield zijn hand op. ‘Dertigduizend en ga me niet vertellen dat je het niet in huis hebt.’

Het lag in een kluisje achter Rockne. Mitchell opende het met trillende vingers en liet twee keer geld vallen.

Rockne duwde hem weg. ‘Ik doe het wel. Ga maar zitten. Niet wegrennen, niet opspringen. Zitten.’ Hij telde dertigduizend dollar af en legde twintigduizend apart. ‘Wie weet vinden we er een mooie bestemming voor,’ zei hij. ‘Wil je je vrouw roepen of praten we als heren onder elkaar?’

Mitchell deed iets met zijn hoofd waar Rockne niets van begreep.

‘Als je bedoelt: geen Liz, dan doen we het met ons tweeën. Val me in de rede als ik de fout in ga.’ Hij vouwde zijn handen voor zijn buik. Een sigaar, dacht hij, een grote waar je een stuk vanaf moet knippen en die uit je mond valt als je niet oplet. ‘Jouw vrouw rommelt met Bruce Jonathon. Jij weet dat en je vindt het best. Dat denkt Jonathon en misschien denkt je vrouw het ook. Ik denk dat je er niet blij mee bent. Ik denk dat jij een situatie hebt willen scheppen die ertoe zou leiden dat ik Jonathon ook een klap met een koevoet zou geven, of een kogel. Zoiets als twee voor de prijs van één.’ Rockne haalde diep adem. ‘Voor de prijs van nul eigenlijk, want je vertelde dat iemand,’ hij legde een zwaar accent op het woord iemand, ‘twintigduizend van me wilde, precies het bedrag dat ik van jou zou krijgen. Ik denk dat jij die iemand bent. Er is geen man die je opbelt en die jou en mij afperst, er is geen opbeller die je een rekeningnummer in Zwitserland heeft gegeven, er is helemaal niemand behalve jij. Wil je dat ik het uitleg?’

‘Nee,’ zei Mitchell en Rockne voelde zich boos worden. Altijd hetzelfde. Nooit kon hij praten over zijn vak en als er een keer een kans was dan zei een lamlul dat hij niets wilde horen. ‘Ik doe het toch,’ zei hij. ‘Gewoon om de tijd te doden.’ Hij zag Mitchell reageren op het woord doden en maakte een gebaar met een hand. ‘Rustig blijven zitten. Heb je sigaren?’

Mitchell schudde van nee.

‘Als ik het niet dacht,’ zei Rockne. ‘Heb ik een keer trek, is er niks. Jonathon zei dat hij foto’s moest maken van iedereen die in de buurt van Elstak kwam. Omdat jij een boek aan het voorbereiden was, zei hij. Hoe noemde hij het: liber amicorum? Vriendenboek. Hij fotografeerde alles wat los en vast zat in Seattle waar het cruiseschip vertrok en in Astoria. Van een grote afstand, want Elstak mocht absoluut niets merken. Ik heb me afgevraagd hoe het kwam dat jij de eerste keer drie foto’s uit je la haalde waar ik met Elstak opstond. Ik had geen idee hoe je me zou kunnen kennen of herkennen en ik kan je zeggen dat ik van die vraag veel last heb gehad. Jonathon vertelde het geheim: je had foto’s van alle mannen die bij Elstak waren. Voor alle zekerheid. Ik was degene die achter Elstak liep toen hij het weggetje insloeg dat naar een kamp milieuactivisten leidde. Toen je hoorde waar Elstak vermoord was wist je vrijwel zeker hoe zijn moordenaar er uitzag. Niet helemaal zeker, want Jonathon heeft drie mannen naast de liggende Elstak gephotoshopt, met baard, zonder baard, met pet en zonder, alle mogelijke varianten, hij is er een etmaal druk mee geweest. Jij dacht: als ik de moordenaar niet betaal dan komt hij zich wel een keer melden en dan wil ik foto’s hebben waarop hij zich herkent. Ik kwam en kreeg drie foto’s van de stapel die je klaar had liggen.’

Mitchell keek naar de vloer en bewoog zich niet.

‘Jonathon zei dat hij mocht kiezen. Meewerken, zijn mond houden en rustig verder donderjagen met jouw vrouw, of weigeren. Hij deed mee. Hij had geen idee waarom Elstak dood moest, maar hij wilde best geloven in je verhaal dat hij door het maken van de foto’s meewerkte aan het zoeken naar de moordenaar. Jij had dat als je levensdoel gesteld, vertelde hij. Hij geloofde het niet, maar hij kreeg tienduizend dollar en daar geloofde hij erg in. Jouw vrouw, geld en een klus die hij prachtig vond, hij houdt van foto’s bewerken. Dat zei hij en ik geloof hem. Waarom moest Elstak dood?’

Mitchell bleef onbeweeglijk zitten en Rockne haalde zijn schouders op. ‘Het is een vraag die iemand als ik niet hoort te stellen, dus laat maar zitten. Weet je waardoor ik je door kreeg?’

Mitchell zei niets en Rockne baalde. Nooit, nooit werkt iemand mee, dacht hij, kan ik eens een keer over mijn vak praten zit hij niet mee te werken. ‘Door de foto van je vrouw. Die je aan de andere kant van je kantoor hebt laten hangen, precies achter Judy. Ik moest wachten en je wist dat ik naar de foto zou kijken. Ik denk dat je vond dat ik niet snel genoeg opschoot. De foto moest me op gang helpen. Ook een foto die was gemanipuleerd, je kon je niet voorstellen dat ik zo stom was dat ik geen verband zou zien, en je had gelijk. Heeft ze een wijnvlek?’

Mitchell keek op, bewoog zijn lippen, liet het hoofd zakken.

‘Brand?’

Mitchell knikte, één keer, kort.

Het is een begin, dacht Rockne. ‘Ik denk dat je Jonathon dood wilde.’ Hij sloot zijn mond en dacht na. Heb ik dat al gezegd? ‘Net als je vrouw,’ zei hij snel. Hij leunde achterover. ‘Weet je dat je een krent bent?’

Dit keer zei Mitchell iets. ‘Krent?’ Het klonk of hij het woord niet kende.

‘Vrek. Gierig persoon. Als je me had betaald had ik Jonathon met plezier neergeschoten. Voor opnieuw twintigduizend natuurlijk, plus onkosten.’ Rockne pakte het geld dat hij apart had gelegd. ‘Ik neem de laatste twintigduizend mee omdat ik ‘t heb verdiend.’

Er zat iets begerigs in Mitchells ogen toen hij Rocke aankeek. ‘Jonathon? Bedoel je dat je Jonathon al hebt ...’ Hij rekte zijn nek en keek naar het pistool. ‘Geschoten?’

‘Niet geschoten,’ zei Rockne. Hij stond op. ‘Je komt er wel achter. Loop maar mee naar de deur.’

‘Ja,’ zei Mitchell. ‘Ja. Natuurlijk.’ Hij klonk of hij alle cadeaus had gekregen van zijn kerstlijst. Hij liep voor Rockne uit en opende de voordeur. ‘Jonathon,’ zei hij. ‘Wat heb je met hem gedaan?’

‘Niets,’ zei Rockne. ‘Waarom zou ik? Ik wil dat je even naar boven kijkt.’ Hij pakte met zijn rechterhand de koevoet en wees met zijn linker naar de lucht. ‘Daar, wat is dat daar toch.’

Mitchell liet zijn profiel zien en Rockne sloeg. Eén keer was genoeg.

Net zoals James Elstak, dacht hij terwijl hij naar het lichaam keek. Hij voelde zich tevreden, twee klappen,  veertigduizend dollar. Plus onkosten. Wat had hij toch een geweldig vak.

Meer over huurmoordenaar Rockne Paradise in 'De Middelman' van uitgeverij Elbertinck en 'Kelly's 30.000' , uitgegeven door De Bezige Bij/Cargo